XI SERIE B: DE GROTE STRIJD - VERKENNING

XI SERIE B: DE GROTE STRIJD - VERKENNING

(12.1-16.21)


Uit de vorige serie visioenen bleek dat God de toekomst aan Johannes heeft geopenbaard om daarmee de zeven gemeenten voor te bereiden op ‘de dag van de Heer’. In het tweede intermezzo werd hem opgedragen opnieuw te gaan profeteren. Deze keer zal het niet zozeer over de zeven gemeenten gaan maar over “vele natiën en volken en talen en koningen” (10.11). Ook in deze visioenen krijgen we een beeld van ‘de grote strijd’ die Satan en zijn aanhang voert tegen God en de gelovigen. Maar nu is de focus vooral gericht op de vijandelijkheden die de volgende generaties gelovigen zullen ondervinden. In Openbaring 12-16 doet Johannes verslag van alles wat hem in deze serie wordt getoond.



OVERZICHT VAN DE TEKST


INLEIDING

 

De draak strijdt tegen God op aarde en in de hemel (12.1-12)

De visioenen beginnen met twee bijzondere tekenen in de hemel: Johannes ziet een hoogzwangere vrouw, bekleed met hemelse attributen én een grote rossige draak. Die draak wordt op de aarde geworpen en sleept daarbij een derde van de sterren mee (vs4). Uit wat volgt, blijkt dat we hier opnieuw getuige zijn van ‘de grote strijd’ tussen God en Satan.


De draak verliest de strijd tegen God op aarde: het Kind ontkomt (vs1-6). Na de twee tekenen in de hemel ziet Johannes dat de vrouw zich nu op de aarde bevindt. Als daar haar kind geboren wordt, staat de draak klaar om het te verslinden. Maar het kind wordt “dadelijk weggevoerd naar God en zijn troon”. Daarop zoekt de vrouw haar toevlucht in de woestijn. Het is de bedoeling dat zij daar door God zal worden onderhouden gedurende 1260 dagen.


De draak verliest de strijd tegen God in de hemel: “Wee de aarde...” (vs7-12). Na zijn mislukte poging het kind om te brengen, zet de draak zijn rebellie tegen God voort in de hemel. Hij wordt daaruit verwijderd en samen met zijn engelen op de aarde gegooid. Vervolgens verklaart een luide stem in de hemel: “Nu zijn de redding, de macht en het koningschap van onze God werkelijkheid geworden, en de heerschappij van zijn Messias.” Nu de draak ten val is gebracht, kan hij niet langer de gelovigen bij God aanklagen. Zij hebben de overwinning behaald, dankzij het bloed van het Lam en hun getuigenis. Niettemin staan hen hier op aarde nog zware tijden te wachten. Want diezelfde stem in de hemel zegt ook: “Maar wee de aarde en de zee: de duivel is naar jullie afgedaald! Hij is woedend, want hij weet dat hij geen tijd te verliezen heeft.” Ze moeten dus op hun hoede zijn, want hij is “de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt” (vs9-12).



DE DRAAK STRIJDT TEGEN GODS VOLK HIER OP AARDE (12.13-14.13)

Satan is weliswaar door God verslagen, maar nog niet uitgeschakeld. Hij zet zijn opstand tegen God hier op aarde voort in de strijd die hij voert tegen de gelovigen. In dit hoofdstuk zullen we het verloop van die strijd verkennen. Daarbij kunnen we zeven fasen onderscheiden waarin een drietal thema’s zijn verwerkt: vervolging, waarschuwing en oordeel. In dit hoofdstuk staan we stil bij de eerste zes fasen.

 

De eerste zes fasen van ‘de grote strijd’

 

Fase I. De draak vervolgt de vrouw (12:13-18)

De draak zet de vervolging in van de vrouw die het kind gebaard heeft. Maar zij krijgt vleugels om naar de woestijn te vliegen. Daar zal ze buiten het gezicht van de slang gedurende “een tijd en twee tijden en een halve tijd” veilig zijn. Terwijl zij op weg is naar deze veilige plaats probeert de draak haar om te brengen. Maar dat lukt hem niet. Dit maakt hem woedend en hij besluit een andere tactiek te gaan volgen in zijn strijd tegen God en de gelovigen. Hij laat de vrouw nu met rust en gaat zich richten op haar nageslacht. Dat onderscheidt zich door het feit dat ze zich aan Gods geboden houden en bij het getuigenis van Jezus blijven. De vrouw verdwijnt nu uit ons gezichtsveld, daar waar de woestijn grenst aan de zee. En de draak zelf “ging op het strand bij de zee staan.”


Fase II: Het beest uit de zee vervolgt “de rest van haar nageslacht” (13.1-10)

Terwijl de draak daar staat, komt uit die zee een beest op dat sprekend op hem lijkt. Het heeft zeven koppen waarop godslasterlijke namen staan geschreven, en verder tien horens met elk een kroon erop. De draak draagt zijn kracht en heerschappij en gezag over aan het beest. Dat wordt daarmee de plaatsvervanger van de draak op aarde. Het beest, dat nu namens de draak oorlog tegen deze “heiligen” voert, heeft meer succes dan de draak daarvoor had. Hij slaagt erin de gelovigen te overwinnen. Zijn offensief tegen God en mensen duurt “tweeënveertig maanden lang”. Het beest heeft niet alleen macht over het nageslacht van de vrouw maar zelfs over “alle landen en volken, over mensen van elke stam en taal”. Op een gegeven moment (vs3 en 12) ontvangt het een dodelijke verwonding, maar toch herstelt het daarvan. Dit maakt een zodanig diepe indruk dat alle mensen die op aarde wonen zowel de draak als het beest gaan aanbidden (vs4 en 8). Vanzelfsprekend doen zij die in het “boek van het leven” van het Lam geschreven staan niet mee aan die onrechtmatige aanbidding. Aan het einde van deze fase klinkt een oproep, bedoeld voor iedereen die oren heeft, om goed te luisteren. Het beest mag dan wel de heiligen in gevangenschap voeren of zelfs met het zwaard doden, maar de tijd komt dat het zelf aan de beurt is. Onder al deze barre omstandigheden blijkt de standvastigheid en trouw van de heiligen (vs10).

 

Fase III. Het beest uit de aarde neemt de vervolging over (13:11-18)

Nadat het beest een dodelijke wond is toegebracht, ziet Johannes een ander beest opkomen, nu niet uit de zee maar uit de aarde. Het lijkt op een lam maar het spreekt als de draak. Het ontpopt zich als een ware belangenbehartiger van het eerste beest: “Voor de ogen van het eerste beest oefende het heel diens macht uit. Het dwong de aarde en alle mensen die erop leefden het eerste beest, dat van zijn dodelijke verwonding genezen was, te aanbidden” (vs12). De mensen zijn blijkbaar zo onder de indruk van de grote tekenen die dit beest uit de aarde verricht, dat ze zich laten verleiden tot het oprichten van een beeld voor het beest uit de zee (vs13-14). Ten slotte bewerkt dit beest uit de aarde dat iedereen een merkteken ontvangt op zijn rechterhand of op zijn voorhoofd. Dat merkteken is de naam van het eerste beest óf het getal van zijn naam. Voor wie inzicht heeft, valt dit getal te ontcijferen. Het is 666, het getal van een mens. Er is nu een tweedeling op aarde tot stand gekomen. Alleen wie het merkteken draagt, zal nog kunnen kopen of verkopen. De anderen zijn ‘outcasts’ geworden (vs16-17).

 

Fase IV. Het beeld vervolgt wie weigert het te aanbidden (13:16)

Een van de grote tekenen die het beest uit de aarde verricht, is dat het leven geeft aan het beeld en het laat spreken. Dit beeld vaardigt dan een bevel uit dat het moet worden aanbeden. Wie weigert, wordt gedood. Daarmee wordt het beeld de vierde vervolgende macht in deze serie.

 

Fase V: De 144.000 op de berg Sion (14.1-5)

Na de vier visioenen over vervolging ziet Johannes nu een hemels visioen ter bemoediging van degenen die de aanbidding van het beest geweigerd hebben. Zij mogen dan ‘outcasts’ zijn op aarde, voor de hemel zijn zij de overwinnaars. Zij hebben de goede strijd gestreden en het geloof behouden. Johannes ziet hen als een groep van 144.000 op de berg Sion, samen met het Lam. Ook zij dragen een merkteken. Maar deze metgezellen van het Lam hebben “zijn naam en die van zijn Vader op hun voorhoofd” (vs1). “Ze zijn uit de mensheid vrijgekocht om als de eerste opbrengst te worden aangeboden aan God en aan het Lam.” Daarom kunnen alleen zij het nieuwe lied leren dat voor de troon van God klinkt. Met dit visioen zijn tegelijkertijd ook de vervolgers gewaarschuwd. Ze weten nu dat ze in de grote strijd tegen God en zijn volk aan de verkeerde kant staan. Wat hen daarom te wachten staat, blijkt uit het volgende.


Fase VI: Waarschuwing voor Gods oordeel (14.6-13)

We keren nu weer terug naar de aarde, waar ‘de grote strijd’ nog in alle hevigheid woedt. Johannes ziet drie engelen die de mensheid ernstig waarschuwen voor het oordeel dat God over deze wereld gaat brengen.

1) De eerste engel (vs6-7)

Op het moment dat zijn boodschap klinkt, is het beest uit de zee met behulp van zijn bondgenoten erin geslaagd de aanbidding die God toekomt wereldwijd naar zichzelf toe te trekken. Daarom richt de engel een oproep aan de mensen uit alle landen en volken om Gód te vrezen en Hém te eren en te aanbidden. Deze oproep is goed nieuws. Ten eerste, de gelovigen weten nu dat de precaire situatie waarin zij zich bevinden niet lang meer zal duren: het uur van Gods oordeel is aangebroken. Maar ook voor de anderen is het goed nieuws: God geeft hen nog een laatste kans om zich bekeren voordat zijn oordelen hen daadwerkelijk zullen treffen.

 

2) De tweede engel (vs8)

Een tweede engel volgt met een bevestiging van Gods oordeel over “het grote Babylon”. Deze stad is blijkbaar het synbool van een hoer, die haar beroep met veel verve heeft uitgeoefend. Haar hoererij wordt gesymboliseerd door wijn, waarvan ze “al de volkeren heeft doen drinken”. De identiteit van de hoer, die hier plotseling en voor het eerst in beeld komt, wordt in dit visioen niet verder toegelicht. Dat Gods oordeel over Babylon vast staat, blijkt uit het feit dat de val van de stad als een voldongen feit wordt aangekondigd.

 

3) De derde engel (vs9-13)

Deze derde waarschuwing is specifiek gericht aan iedereen die “het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd” heeft ontvangen. Omdat zij de oproep van de eerste engel hebben genegeerd, zal God hen nu in plaats van de wijn van de hoer Babylon een andere wijn te drinken geven. Dat is de wijn van zijn oordeel “die onverdund in de beker van zijn toorn is geschonken” (vs10). Zijn oordeel staat in schril contrast met wat gezegd wordt over hen die God wél hebben aanbeden. Zij zijn standvastig geweest, hebben zich gehouden aan Gods geboden en zijn ook aan Jezus trouw gebleven. Als ze daarvoor hun leven moesten geven, konden ze dat doen met deze bemoediging in gedachten: “Gelukkig zijn zij die vanaf nu in verbondenheid met de Heer sterven… Zij mogen uitrusten van hun inspanningen, want hun daden vergezellen hen”(vs12).


Eerste intermezzo (14.14-20)

Na de visioenen over vervolging en waarschuwing volgt nu een intermezzo. Daarin krijgen we een snelle vooruitblik op het oordeel dat God gaat voltrekken. Johannes is getuige van twee verschillende oogsten. De ene wordt door de Mensenzoon binnengehaald en de andere door een engel.


De ‘graanoogst’ (vs14-16)

Hier verschijnt iemand “die er uitzag als een mens”[1] en hij heeft een scherpe sikkel in zijn hand. Dan komt een engel uit de tempel die verklaart dat de oogst op aarde rijp is geworden. Daarop zendt deze “mens” zijn sikkel op de aarde en wordt het graan geoogst (vs14-16).


De ‘wijnoogst’ (vs17-20)

Vervolgens komt er een tweede engel uit de tempel, ook met een scherpe sikkel in zijn hand. Na hem verschijnt er nog een derde en die heeft de macht over het vuur. Zijn boodschap is dat het tijd is om “de druiven te oogsten in de wijngaard op de aarde”. De tweede engel gaat daartoe over en “gooide ze in de grote perskuip van Gods woede”.

 

Korte samenvatting

In de eerste vier fasen van de grote strijd tussen God en Satan zagen we dat de gelovigen zwaar werden vervolgd. In de vierde fase leidde dat tot een tweedeling op aarde: enerzijds de aanbidders van het beest, die zijn merkteken op hun voorhoofd of rechterhand hebben ontvangen en anderzijds de gelovigen die dit teken niet hebben. Maar in de vijfde fase bleek dat ook zij een merkteken hebben: ze dragen de naam van het Lam en die van zijn Vader op hun voorhoofd. In de zesde fase geven drie engelen de allerlaatste waarschuwing. De tijd is nu gekomen dat God zijn oordeel gaat vellen. Het intermezzo laat over de afloop van deze ‘grote strijd’ geen twijfel bestaan. Wie standvastig en trouw zijn gebleven, zullen straks bij God en het Lam mogen zijn (zie fase V). Zij worden voorgesteld door de graanoogst. De anderen zijn de ‘wijnoogst’. Zij zullen het oordeel moeten ondergaan waarvoor de drie engelen hebben gewaarschuwd.


Wat dat oordeel inhoudt, zal later in deze studie in meer detail aan de orde komen (fase VII van ‘de grote strijd’).


 
[1] Uit Openbaring 1.12-18 is gebleken dat deze ‘mens’ Jezus is, de Mensenzoon


Vorig hoofdstuk

volgend hoofdstuk

Share by: