X TERUGBLIK (1)
(1.1-11.19)
Achtergrond van de Openbaring
Jezus had tijdens de laatste Pesachmaaltijd een indringend gesprek met zijn leerlingen. Hij vertelde hen wat Hem gelijk daarna te wachten stond. Niet lang daarvoor had Hij een indrukwekkende rede gehouden over kenmerkende gebeurtenissen in verband met het einde van deze wereld. Maar toch gaf deze rede niet meer dan een algemene indruk van de toekomst. Daarom liet Jezus bij die maaltijd weten dat er over de toekomst nog meer te zeggen valt. Alleen waren ze daar nog niet aan toe. Hij beloofde hen echter dat ná zijn hemelvaart de “Geest van de waarheid” zou komen. Die zou dan bekendmaken wat Jezus bij die maaltijd nog niet geschikt voor hen achtte: “Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij hoort en jullie bekendmaken wat komen gaat.”[1] Deze belofte wordt vervuld wanneer Johannes de Openbaring van Jezus Christus ontvangt.
De belofte van Jezus vervuld
Aan het begin van zijn boek maakt Johannes gelijk duidelijk dat niet hijzelf de auteur is. De visioenen over “wat er hierna gebeuren moet” (4.1) zijn hem door God gegeven. In de hemelse troonzaal (4.1-5.14) is hij er getuige van dat Jezus de enige is die in aanmerking komt de verzegelde boekrol te openen en daarmee de visioenen over de toekomst aan de gelovigen bekend te maken. De reden daarvoor is dat Hij zijn leven voor hen heeft gegeven en ze tot priesters voor God heeft gemaakt (5.9-10). Dankzij Jezus zullen zij voor altijd in de directe nabijheid van God mogen verkeren om Hem daar te dienen. Als Jezus “zijn engel” naar Johannes zendt (1.1; 22.16) om hem de visioenen te tonen, blijkt die engel de beloofde “Geest van de waarheid” te zijn. Die conclusie kunnen we trekken uit het dringende advies dat elke gemeente krijgt: “Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.”
De zeven gemeenten: voorbereiding op de toekomst
In het eerste visioen verschijnt Jezus als de Mensenzoon. Hij weet dat deze zeven gemeenten niet voldoende op de toekomst zijn voorbereid. Hun geloofsleven laat te wensen over. Daarom roept Hij hen op tot inkeer te komen. De oproep en instructies die Hij hen geeft zijn tijdloos en daarom ook van toepassing op elke volgende generatie gelovigen, tot aan het einde toe. Voor iedereen die ondanks vervolging en allerlei verzoekingen als overwinnaar eindigt, gelden de paradijselijke beloften die Jezus hen geeft. Alle anderen zullen de gevolgen van hun verkeerde handel en wandel moeten dragen.
De verzegelde boekrol geopend
Als Jezus in het tweede visioen de eerste vier zegels opent, gebeuren er allerlei rampen. Over de uitleg daarvan bestaan veel verschillende meningen. Maar als we de zegels vergelijken met de rede van Jezus over de eindtijd (Matteüs 24), dan blijken die rampen ‘tekenen des tijds’ te zijn. Eén van de meest prominente daarvan is wel vervolging. Dat zien we bij het vijfde zegel waar de slachtoffers God vragen om hun bloed aan de daders te wreken. Bij het zesde zegel is Johannes getuige van de opmerkelijke tekenen in zon, maan en sterren die direct aan de oordeelsdag voorafgaan. Daarna wordt het zevende zegel geopend, de zeven bazuinen geblazen en treffen Gods oordelen eerst de natuur en vervolgens de mensen die Gods zegel niet ontvangen hebben.
Jezus in alles centraal
Johannes kondigt zijn verslag van de visioenen aan als de Openbaring van Jezus Christus. Zonder Hem zou de Openbaring er nooit geweest zijn. Maar het boek is niet alleen afkomstig van Jezus. Hij is daarin ook de centrale persoon, die in alle opzichten bepalend is voor het lot en de toekomst van de gelovigen. Zij zijn met zijn bloed gekocht. Doordat Hij de dood heeft overwonnen, beschikt Hij nu over de sleutels van het dodenrijk (1.18). Voor de (toekomstige) martelaren moet dat een enorme troost en bemoediging zijn geweest om vol te houden tot het einde toe. Dankzij Jezus is er voor alle gelovigen hoop en uitzicht op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Het is overduidelijk dat in de Openbaring alles draait om Jezus en zijn relatie tot de gelovigen.
Eerste opdracht voltooid – tweede opdracht ontvangen
De eerste profetische opdracht die Johannes kreeg, luidde dat hij alles wat hem getoond zou worden, moest opschrijven in een boek. Dat moest hij naar zeven gemeenten sturen, waarvan hem de namen werden gegeven. Die taak heeft hij volbracht. Nu wacht hem zijn tweede opdracht. Deze keer moet hij echter niet in eerste instantie ‘profeteren’ voor de zeven gemeenten, maar “over talrijke landen en volken en koningen” (10.11). Wat dat inhoudt, komt in de volgende hoofstukken aan de orde.
*****
[1] Johannes 16.7, 12-15