XII SERIE B: DE VROUW - HET KIND - DE DRAAK – COMMENTAAR
(12.1-18)
In Hoofdstuk XI hebben we de visioenen van serie B verkend over het verloop van ‘de grote strijd’ tussen Satan en zijn aanhang enerzijds en God en de trouwe gelovigen anderzijds. Als we daarvan de inleiding, de eerste zes fasen plus het eerste intermezzo schematisch weergeven, levert dat het volgende overzicht op:
---------------------------------------------------------------------------
SERIE B: DE GROTE STRIJD
Inleiding
(12.1-12)
De draak: mislukte aanslag op het kind
De draak: mislukte opstand in de hemel
--------------------------------------------------------------------------
DE EERSTE ZES FASEN
(12.13-14.13)
Fase I-IV
VERVOLGING
I: De draak vervolgt de vrouw
II: Beest (uit zee) vervolgt de rest van haar nageslacht
III: Beest (uit aarde) behartigt belangen v/h 1e beest
IV: Beeld (v/h 1e beest) eist aanbidding op
Fasen V-VI
WAARSCHUWING
V: De 144.000 op de berg Sion
VI: Drievoudige laatste waarschuwing
Aanbid God … geef Hem eer
1e intermezzo
(14.14-20)
Graanoogst (door Mensenzoon)
Druivenoogst (door een engel)
-------------------------------------------------------------------------
Fig.8 Serie B: de eerste zes fasen van de grote strijd
Wat Johannes allemaal gezien heeft, moet hem wel veel zorgen gebaard hebben. Hij is immers zelf al slachtoffer van vervolging. Ook de zeven gemeenten hebben ermee te maken. Bovendien had de Mensenzoon hen gezegd dat er in de toekomst nog meer vervolgingen zouden plaatsvinden. Nu heeft Johannes in deze serie visioenen gezien hoe hevig die wel zullen zijn. Maar anderzijds heeft hij óók de grote dag van de Almachtige gezien en vanuit de hemel een stem gehoord die zei: “Het is voorbij!” De strijd is dan gestreden, de overwinning behaald en alle leed geleden.
Van visionaire werkelijkheid naar historische werkelijkheid
Alles wat Johannes in deze serie visioenen heeft gehoord en gezien, was een ‘visionaire werkelijkheid’. Daarin werd de toekomst hem getoond in symbolen. We moeten daarom in de volgende hoofdstukken trachten te achterhalen welke ‘historische werkelijkheid’ achter deze symbolen schuilgaat.[1] Daartoe dienen we eerst de hoofdrolspelers in dit indrukwekkende drama te identificeren. Wie of wat is de draak, de zwangere vrouw, het kind, de rest van haar nageslacht, het beest uit de zee, het beest uit de aarde, en tot slot het beeld van het eerste beest? Vervolgens kunnen we stap voor stap op zoek gaan naar de rol die elk van hen in dit drama heeft gespeeld. Wat heeft er inmiddels al plaatsgevonden aan vervulling van deze profetische visioenen - en wat kunnen we in de toekomst nog verder verwachten?
COMMENTAAR
In dit hoofdstuk beperken we ons tot het vaststellen van de identiteit van de vrouw, haar kind en de draak. Daarna staan we stil bij de eerste fase van de grote strijd in deze serie, te weten de draak die de vrouw vervolgt.
INLEIDING (1.1-12)
1) Identiteit van het kind: Jezus
We beginnen met het kind (vs5). Daarvan wordt in de tekst vermeld dat het “een zoon” is die “alle volken met een ijzeren herdersstaf zal hoeden”. Voor een door de Schrift onderbouwde identificatie van dit kind kunnen we Openbaring 19 raadplegen. In dat visioen verschijnt Jezus als de uiteindelijke Overwinnaar in ‘de grote strijd’. Dat Hij Jezus, de Mensenzoon, is blijkt uit de drie volgende kenmerken die daar worden vermeld:
1. “Trouw en betrouwbaar” is zijn naam (vs11; vgl.3.14)
2. “ogen als vlammend vuur” heeft Hij (vs12; vgl. 1.14)
3. “een scherp zwaard” komt uit zijn mond (vs.15; vgl. 1.16; 2.12,16)
In vers 15 vinden we ook het essentiële gegeven waarmee we het kind uit hoofdstuk 12 kunnen identificeren: “Uit zijn mond komt een scherp zwaard waarmee Hij de volken zal slaan, en Hij zal hen met een ijzeren herdersstaf hoeden.” Dat hoeden van de volken met een ijzeren herdersstaf, is kenmerkend voor wat over het kind in hoofdstuk 12 wordt gezegd (vs5). Alles wijst er dus op dat het betreffende kind Jezus, de Mensenzoon is.
Ter verdere ondersteuning daarvan kunnen we verwijzen naar 2.27 waar Jezus tegen de gemeente Tyatira zegt dat Hij van de Vader de macht heeft ontvangen om de volkeren te hoeden met een ijzeren herdersstaf - en dat Hij die macht met hen zal delen. Daaraan kunnen we nog toevoegen dat de draak probeert het kind gelijk na zijn geboorte om te brengen (12.4). Iedere lezer zal daarbij moeten denken aan de kindermoord van Betlehem. Ten slotte wordt in 12.5 nog vermeld dat het kind werd “weggevoerd naar God en zijn troon”. Dat kan moeilijk anders worden opgevat dan een verwijzing naar de hemelvaart van Jezus. Al het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat Jezus het kind is dat uit de zwangere vrouw geboren wordt.
2) Identiteit van de vrouw
In de meest directe en letterlijke zin is deze vrouw Maria, de moeder van Jezus. Maar gezien de context van dit hoofdstuk en van de Openbaring als geheel kan dit onmogelijk de hele betekenis van deze vrouw zijn. Verderop in dit hoofdstuk (Openbaring 12) vermeldt Johannes dat de draak na de hemelvaart van het kind de vervolging van de vrouw inzet. Maar wat hij ook probeert, het lukt hem niet haar te doden. God beschermt de vrouw en Hij heeft voor haar een plaats in de woestijn bereid. Daar kan ze buiten het gezicht van de slang voor een afgebakende periode (1260 dagen) veilig zijn (vs6). Nergens in de Schrift noch in de (kerk)geschiedenis is ook maar iets te vinden wat erop zou kunnen duiden dat dit de ervaring van Maria, de moeder van Jezus, zou zijn geweest. Dat zij de “zwangere vrouw” uit dit visioen zou zijn, is een erg letterlijke, eenzijdige en onvolledige verklaring. Daarmee doen we bepaald geen recht aan de bedoeling van dit visioen. Deze vrouw heeft een symbolische betekenis die veel dieper gaat.
God heeft door de eeuwen heen, tot aan de dag van vandaag, altijd een gemeenschap van gelovigen gehad waarmee Hij een bijzondere en intieme relatie onderhoudt. In symbolische terminologie is dat een huwelijksrelatie.
Gods ‘bruid’ in oudtestamentische tijden.
In Genesis 12.1-9 lezen we dat God een speciaal verbond sloot met Abraham en zijn nageslacht. Daardoor werd het volk Israël zijn bruid. Zij waren de fysieke nakomelingen van Abraham. Daarbij moet worden aangetekend dat deze verbondsrelatie stond of viel met de trouw of ontrouw van het volk ten aanzien van God.
Ontrouwe bruid in het oude testament. Uit de gewijde geschiedenis blijkt dat er soms een kortstondige liefdevolle en harmonieuze relatie tussen God en zijn oudtestamentische ‘bruid’ bestond. Maar de turbulente geschiedenis van Israël laat ons ook zien dat het maar al te vaak een relatie was die gekenmerkt werd door ontrouw, waardoor deze relatie werd verstoord en ten slotte zelfs geheel ontwricht. Het volgende voorbeeld zal dat duidelijk maken. God beklaagt zich bij de profeet Jeremia over zijn volk. Zij hebben Hem al sinds jaar en dag vergeten en in plaats daarvan lopen ze allerlei afgoden achterna. Dit is wat God over zijn trouweloze bruid te zeggen heeft:
Tijdens de regering van koning Josia zei de HEER tegen mij: ‘Heb je gezien hoe ontrouw Israël mij geworden is? Ze pleegde overspel op elke hoge berg en onder elke bladerrijke boom. Ik dacht: Als ze van dat alles genoeg heeft, komt ze wel bij me terug. Maar ze kwam niet terug. Haar afvallige zuster Juda zag dat ik ontrouw Israël verstoten had en haar een scheidingsbrief gegeven had, juist omdat ze overspel had gepleegd. Maar toch liet afvallig Juda zich daardoor niet afschrikken, ze pleegde zelf ook overspel. En door haar lichtzinnig overspel met goden van steen en hout wierp ze een smet op dit land.[2]
Gods ‘bruid’ in het nieuwe testament.
In het nieuwe testament wordt het verbond met Abraham voortgezet met al zijn geestverwanten, ongeacht of zij fysiek van hem afstammen of niet. Ieder die het geloof van Abraham deelt, deelt ook in het verbond dat God met hem sloot.[3] Dat ook in het nieuwe testament de trouwe geloofsgemeenschap Gods bruid is, lijdt geen twijfel. Aan het begin van het optreden van Jezus gaan steeds meer mensen Hem volgen in plaats van Johannes de Doper. Dat is voor Johannes een reden tot blijdschap. Hij vergelijkt zichzelf met de vriend van de bruidegom. Die is blij als de bruidegom eraan komt en de belangstelling naar hem uitgaat. Voor Johannes is Jezus de bruidegom die bij zijn bruid is aangekomen. Hoe meer aandacht Jezus nu krijgt hoe beter. Niet lang daarna spreekt Paulus over de gemeente in Korinte, die hij zelf gesticht heeft, als de bruid van Christus. Hij schrijft naar hen: “Ik waak over u zoals God over u waakt. Ik heb u aan één man uitgehuwelijkt aan Christus, en ik wil u als een kuise bruid aan hem geven.”[4] Tegen het einde van de Openbaring klinken vanuit de hemel deze woorden: “Halleluja! De Heer, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap op zich genomen. Laten we blij zijn en jubelen, laten we hem de eer geven! Want de bruiloft van het Lam is gekomen en zijn bruid staat klaar” (19.6-7). Tot slot, vrijwel aan het einde van de Openbaring, zien we dat de Geest, de bruid en Johannes snakken naar de komst van Jezus, de bruidegom (22.17,20). Dus zowel in het oude als het nieuwe testament is een vrouw het symbool voor Gods ´bruid´.
Ontrouwe bruid in het nieuwe testament? De intrigerende vraag die hier bijna als vanzelf opkomt, luidt: ”Zal het nieuwtestamentische Israël van het verleden leren òf zullen ook zij vreemdgaan door allerlei afgoden te aanbidden?” De eerste voortekenen zijn zorgelijk. Reeds in het boek Handelingen lezen we keer op keer hoe de apostel Paulus diverse gemeenten moet terechtwijzen. Als voorbeeld nemen we hier weer de gemeente in Korinte. Zoals we al zagen, beschouwt hij haar als de bruid van Christus. Maar in diezelfde brief uit hij ook zijn ongerustheid over de standvastigheid van deze gelovigen: “Alleen vrees ik dat, zoals Eva door de slang op sluwe wijze bedrogen werd, uw gedachten worden weggelokt van de oprechte en zuivere toewijding aan Christus.”[5] En slechts enkele tientallen jaren later vermaant de Mensenzoon de gemeente in Tyatira dat ze zich hebben laten verleiden tot ontucht. Als ‘bruid’ van Christus hebben ze zelfs overspel gepleegd:
Maar dit heb ik tegen u: u laat die Izebel, die zichzelf profetes noemt, haar gang gaan terwijl ze mijn dienaren met haar uitspraken tot ontucht en het eten van heidens offervlees verleidt. En hoewel ik haar de tijd heb gegeven om te breken met het leven dat ze leidt, weigert ze haar ontuchtig gedrag op te geven. Ik zal haar ziek maken en hen die overspel met haar plegen in ellende storten, tenzij ze met haar breken; haar kinderen zal ik laten sterven aan een dodelijke ziekte. Laat elke gemeente beseffen dat ik het ben die hart en ziel van de mens doorgrondt en dat ik ieder van u zal belonen naar zijn daden (2.20-22).
De oudtestamentische koningin Izebel had een leidende rol gespeeld bij de afgodendienst waartoe Israël was vervallen.[6] Gezien de activiteiten en het succes van deze symbolische Izebel moeten we vrezen dat de geschiedenis zich zou kunnen herhalen. De reden daarvoor is dat deze waarschuwing niet alleen gericht aan de gemeente Tyatira maar aan “elke gemeente” (vs23). Dat de Mensenzoon alle zeven gemeenten waarschuwt voor afvalligheid en geestelijke hoererij is niet zo verwonderlijk. Zij zijn immers de voorlopers van heel de christelijke geloofsgemeenschap die nog op het apocalyptische wereldtoneel zal verschijnen. Met deze nadrukkelijke waarschuwing tegen geestelijk overspel zijn wij als lezers al enigszins voorbereid op schaamteloze ontrouw van “de hoer Babylon”, die later in de visoenen van Johannes aan het licht zal komen.
3) Identiteit van de draak: het keizerlijke Rome
Over de historische betekenis van de draak heerst onder Bijbelverklaarders vrij grote eensgezindheid. Aangezien Jezus het kind van de vrouw is, is het zonder meer duidelijk dat het Romeinse rijk de uitvoerende macht van de draak is. Het was immers de Romeinse koning Herodes die Jezus naar het leven stond. Bovendien is Jezus ook door de Romeinse stadhouder Pilatus overgeleverd aan de Joden om te worden gekruisigd.[7] Verder vermeldt onze tekst dat de draak de vervolging van de vrouw inzet. En uit de geschiedenis is duidelijk dat de vroegchristelijke gemeente van tijd tot tijd door het Romeinse gezag vervolg werd. Het Romeinse rijk wordt dus door de draak, “de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd” gebruikt om tegen God en zijn volk te strijden en hen indien mogelijk uit te roeien.
VERVOLGING
“Toen de draak zag dat hij op de aarde gegooid was,
achtervolgde hij de vrouw die een zoon gebaard had” (12.13)
1e FASE: HET KEIZERLIJKE ROME VERVOLGT DE VROUW
De draak had geen succes in zijn strijd tegen het Kind. Nu manifesteert hij zijn haat tegen God en de christelijke geloofsgemeenschap door de vrouw, de ‘bruid’ van Jezus, te vervolgen. Daarvoor gebruikt hij nog steeds het keizerlijke Rome.
Keizerlijk Rome: politieke én religieuze macht
Rome had in de loop der jaren haar gebied uitgebreid door andere volken met geweld te onderwerpen. Desalniettemin heerste er in de eerste twee eeuwen van onze jaartelling in heel het Rijk de ´Pax Romana´. Dat tijdperk van vrede was vooral te danken aan de manier waarop de Romeinen met de onderworpen volken omgingen. Wie loyaal was ten opzichte van de overheerser kon zelfs Romeins staatsburger worden. De apostel Paulus was een van degenen die het burgerrecht met bijbehorende privileges bezat. Voor ons doel is het van belang stil te staan bij de houding die de Romeinen aannamen ten aanzien van religie en van christenen in het bijzonder.
Rome: tolerant naar polytheïstische religies
De Romeinen waren een polytheïstisch volk en zij accepteerden ook dat de onderworpen volken hun eigen goden hadden. Dat de verplichte verering van de keizer een religieus element had, paste in het wereldbeeld van het polytheïsme. Tegelijkertijd gaven ze daarmee uiting aan hun loyaliteit ten aanzien van de keizer. Deze ´heidenen´ konden dus zonder enige morele bezwaren zich conformeren aan zowel de politieke als de religieuze eisen van het keizerlijke Rome.
Rome: intolerant ten aanzien van christenen
Voor monotheïstische gelovigen, zoals joden en christenen, ging de keizercultus tegen hun geweten in. Wie weigerde er deel aan te nemen, riskeerde daarmee een martelaarsdood. Maar ook de gewone Romeinse burgers keken met wantrouwen naar het nieuwe geloof. Christenen plaatsten zich buiten de maatschappij door bijvoorbeeld niet aanwezig te zijn in het theater, bij schouwspelen of drinkfestijnen. Hun afwijkende gedrag werd door de Romeinen soms verkeerd begrepen. Ze hoorden verhalen over ´het deelnemen aan het lichaam en bloed van Jezus in de gedaante van brood en wijn´. Dit vatten zij op alsof christenen daadwerkelijk mensenvlees aten en bloed dronken. Hierdoor werden ze gezien als kannibalen. Ook de christelijke gewoonten om elkaar te zoenen en ‘zuster’ en ‘broeder’ te noemen, werden opgevat als een teken van incest.[8] Dit alles leidde ertoe dat er rond de kerk een sfeer van spot en verdachtmaking ontstond en soms werden christenen ook als staatsgevaarlijke burgers gezien. Als gevolg daarvan kregen zij al gauw de schuld van allerlei onheil en rampen die plaatsvonden in de Romeinse samenleving. Zo werden ze vaak verantwoordelijk gehouden voor vijandelijke aanvallen, hongersnoden, overstromingen, pestepidemieën en dergelijke. Toen de stad Lyon door pest werd geteisterd, werden de christenen massaal afgevoerd naar de plaatselijke arena om door de wilde dieren verscheurd te worden.[9] Christenen moesten het ontgelden zodra een keizer zich bedreigd voelde of als er een zondebok gevonden moest worden.
Gruwelijke martelaarsdood onder aantal keizers
Een van de vroegste verhalen over martelaren stamt uit de tijd van keizer Nero (37-68). Hij hield de christenen verantwoordelijk voor de grote brand in Rome (64). Als wraak volgde een uiterst wrede vervolging. Sommigen werden in dierenhuiden gehuld om daarna door honden te worden verscheurd. Anderen werden gekruisigd of als fakkels in brand gestoken. Korte tijd later werden de christenen vervolgd door keizer Domitianus (51-96). Johannes (schrijver van de Openbaring) werd onder zijn bewind weliswaar niet gedood, maar wel als straf naar Patmos verbannen. Daarentegen blijkt Antipas, uit de gemeente Pergamum, wél de doodstraf gekregen te hebben (2.13). De afschuwelijke dood van Perpetua en Felicitas heeft in de loop der tijden veel aandacht gekregen. Dit dramatische gebeuren vond plaats onder keizer Septimius Severus (193-211).
Vibia Perpetua was een jonge vrouw van 22 jaar, afkomstig uit een aristocratische familie. In het jaar 203 werd zij samen met haar hoogzwangere dienstmeid Felicitas, een andere slaaf, en nog twee vrije mannen naar de arena gebracht en voor de wilde dieren geworpen. De mannen moesten vechten tegen een everzwijn, een beer en een luipaard en de vrouwen tegen een wilde koe. Maar de dieren slaagden er niet in hen te doden. Uiteindelijk werden Perpetua en haar vrienden met het zwaard om het leven gebracht. De feestdag van de heilige Perpetua en Felicitas is nog steeds op de dag van haar dood (7 maart). De martelaressen worden afgebeeld met een kind op schoot en naast hen staat vaak een koe.[10]
Dit soort aandoenlijke verhalen over martelaren zijn door en voor de kerk geschreven en bewaard gebleven. Om die reden zijn er ook wel enkele kritische kerkhistorici geweest die vragen stellen bij die verhalen over de bewonderenswaardige standvastigheid van vele martelaren en de extreme wreedheden van sommige keizers. Onder hen zijn bekende namen zoals E. Henry Dodwell (17e eeuw), Edward Gibbon (18e eeuw), Keith Hopkins, W.H.C. Frend (20e eeuw), Candida Moss en Catherine Nixey (21e eeuw). Het fenomeen van de martelingen wordt niet per se betwist, maar dat was volgens hen een marginaal verschijnsel. Zij benadrukken de religieuze tolerantie en het polytheïstische karakter van het oude Rome. Het zou de Romeinse overheid vrijwel nooit te doen zijn geweest om het “uitroeien van het christendom”, maar veeleer om het handhaven van de orde, waartegen in hun ogen “fundamentalistische” christenen rebelleerden.[11] In een ander artikel in Wikipedia wordt in dit verband ook het aantal vervolgingen en slachtoffers afgezwakt:
In de 300 jaar vanaf de kruisiging van Christus tot aan de bekering van keizer Constantijn, zijn de polytheïstische Romeinse keizers niet meer dan vier algehele christenvervolgingen begonnen. Wel hebben plaatselijke bestuurders en gouverneurs af en toe zelf geweld tegen christenen aangewakkerd. Niettemin, als we alle slachtoffers van alle vervolgingen bij elkaar optellen, dan blijkt dat de polytheïstische Romeinen bij elkaar niet meer dan enkele duizenden christenen hebben gedood.[12]
Vanzelfsprekend zijn lang niet alle kerkhistorici het met deze kritiek op het aantal vervolgingen en slachtoffers eens. Het is goed te beseffen dat er nogal verschillend met christenen werd omgegaan ten tijde van het keizerrijk. Tot het jaar 250 hingen de vervolgingen inderdaad veel meer samen met plaatselijke gevoeligheden dan met het algemeen beleid van het Romeinse Rijk. Naarmate het aantal christenen groeide, kregen zij meer invloed in de steden. Dat leidde ertoe dat de keizers hen steeds meer als een gevaarlijke groep begonnen te beschouwen. In de derde eeuw nam het wantrouwen nog verder toe omdat de Romeinse keizers zichzelf steeds meer goddelijke kwaliteiten gingen toedichten. In 250-252 startte keizer Decius een daadwerkelijk imperiumwijde christenvervolging. Bij keizerlijk edict eiste hij van iedere onderdaan publieke erkenning van de staatsgodsdienst en alle onderdanen werden verplicht aan de staatsgoden te offeren. Weigeraars werden gefolterd, van posities ontheven of zelfs ter dood gebracht. Het edict werd ingetrokken door zijn opvolger Trebonianus Gallus, maar Valerianus herhaalde deze vervolging in 257-260. Het edict van Gallienus beëindigde niet alleen deze vervolgingen, maar luidde een periode van 40 jaar in waarin de christenen met rust werden gelaten. Onder keizer Diocletianus (284-305) vond de laatste grote christenvervolging plaats.
De Heilige Schrift werd verbrand, kerken werden gesloopt en christelijke militairen en ambtenaren verloren hun baan. Van mensen die openlijk hun geloof predikten, werd de tong uitgerukt of ze werden levend verbrand. ‘We zijn bang dat ze langzaam heel ons rijk zullen besmetten met het gif van een kwade slang’, schreef keizer Diocletianus in 302.[13]
Hij ontketende in 303 de sterkste en bloedigste christenvervolging omdat de christenen nog steeds niet wilden offeren aan de staatsgoden. In het westen hebben deze vervolgingen geduurd tot 306 en in het oosten tot 313. Het lijkt dan ook gerechtvaardigd om, ondanks de hierboven vermelde kritiek, te stellen dat we het aantal slachtoffers van deze en voorgaande vervolgingen, evenals de extreme wreedheden die de martelaren moesten ondergaan, zeker niet mogen onderschatten.
Met het Edict van Milaan (313) kwam er een einde aan de eeuwenlange vervolging van christenen in het Romeinse rijk. Alle in beslag genomen kerken werden teruggegeven. Priesters hoefden geen belasting te betalen en christenen kregen hoge functies toegewezen. Keizer Constantijn liet zelfs een groot aantal nieuwe kerken bouwen. Bovendien werd de zondag een feestdag en werden kruisigingen in het vervolg verboden. Deze vrede is nog korte tijd verstoord geraakt onder Julianus de Afvallige (361-363). Maar geleidelijk aan ontwikkelde de samenwerking met en de verdraagzaamheid ten opzichte van de christenen tot een voorkeur van het Rijk voor het christendom.[14] Dit leidde er uiteindelijk toe dat ten tijde van keizer Theodisus I het christendom zelfs verheven werd tot de officiële godsdienst van het Romeinse rijk (Edict van Thessalonica, 380).[15] Vanaf het jaar 392 werden alle andere godsdiensten verboden.
EINDE VERVOLGING VAN DE VROUW
“Toen spuwde de slang een stroom water als een rivier
achter de vrouw aan om haar daarin mee te sleuren.
Maar de aarde schoot haar te hulp:
de aarde sperde haar mond open en dronk de rivier op
die de draak had uitgespuwd” (12.15-16)
De draak en de vrouw: deel van een groter geheel
We hebben er al eerder op gewezen dat de strijd die de draak hier op aarde voert tegen God en zijn kerk, deel is van een groter geheel. Het is daarom verhelderend om de ervaring van de vrouw te plaatsen in de directe context van de Openbaring én in de bredere context van heel de Schrift.
De directe context: ‘de vrouw’ en de zeven gemeenten.
De Openbaring is in eerste instantie gericht aan de zeven gemeenten (1.1,11). Deze gemeenten waren de voorhoede van de toekomstige generaties gelovigen.[16] Daaronder vallen vanzelfsprekend ook de generaties, gesymboliseerd door de vrouw, die gedurende drie eeuwen lang door de draak werd vervolgd. De Mensenzoon waarschuwde deze gemeenten voor twee reële gevaren die hen bedreigden. Het eerste kwam van binnenuit, namelijk ontrouw, afvalligheid, in symbolische terminologie hoererij genaamd. Het tweede gevaar kwam van buitenaf. Keer op keer moedigde Hij de gelovigen aan om onder de komende vervolgingen stand te houden, zodat ze in ‘de grote strijd’ niet als verliezers zouden eindigen, maar als overwinnaars. Zoals we hebben gezien, kwam er met het Edict van Milaan een einde aan de vervolging van de vrouw. De ‘bruid’ van Christus is nu veilig aangekomen in de woestijn. Het is Gods bedoeling dat zij daar niet langer door de draak achtervolgd zal worden, maar door Hem zal worden onderhouden voor “een tijd en twee tijden en een halve tijd”. Vervolging, het gevaar van buitenaf, is dus nu voor haar geweken – alleen het gevaar van binnenuit is nog steeds aanwezig.
De bredere context: Exodus symboliek
Het is voor nieuwtestamentische gelovigen altijd lonend naar de ervaringen van Israël te kijken en daarvan te leren. In deze context is dat de uittocht van het volk uit Egypte. God had bepaald dat er een einde zou komen aan de wrede slavernij waaronder ze vele jaren hadden geleden. Maar toen het volk nog maar net het land verlaten had, besloot de farao hen toch weer terug te halen. Bovendien werd hun weg naar de vrijheid ogenschijnlijk ook nog geblokkeerd door de Rode Zee. Maar God greep in en deze hindernis werd weggenomen. Zo konden ze veilig de woestijn aan de overzijde bereiken. Daar zouden ze onder Gods leiding en bescherming doorheen trekken, op weg naar de vrijheid en veiligheid van het beloofde land. Terugblikkend op deze bijzondere ervaring zei God tegen Mozes en de Israëlieten dat Hij hen “op adelaarsvleugels” gedragen had.[17] Met andere woorden, Hij had hen in alles geleid, beschermd en bewaard.
Een parallel tussen de ervaring van Israël en die van de vrouw is hier gemakkelijk aan te tonen. Om aan de vervolging van de draak te ontkomen, werden haar “twee vleugels van de grote adelaar” gegeven “om naar haar plaats in de woestijn te vliegen”. De draak wil dat verhinderen en spuwt “een stroom water als een rivier achter de vrouw aan om haar daarin mee te sleuren.” Maar net als destijds bij de Rode zee grijpt God ook hier in en “de aarde schoot haar te hulp: de aarde sperde haar mond open en dronk de rivier op die de draak had uitgespuwd” (12.14-16). Zo komt dus ook de vrouw, net als Israël, “op adelaarsvleugels” veilig aan in de woestijn. Daar mag ook zij uitzien naar de vrijheid en veiligheid die haar deel zal zijn, wanneer Gods beloften van een nieuwe schepping worden vervuld.[18] We zien dus dat God zowel in oudtestamentische als in nieuwtestamentische tijden zijn bruid steeds leidt en beschermt.
Glorieuze toekomst in het vooruitzicht
We kunnen op grond van het voorgaande vaststellen dat, na tijden van verdrukking en vervolging, de woestijn het veilige toevluchtsoord is zowel voor Israël als voor de vrouw. Alles wijst erop dat God door de eeuwen heen het beste met zijn bruid voorheeft. Niet alleen redt Hij haar van een dreigende ondergang, maar bovendien stelt Hij haar een bevoorrechte positie onder de volken in het vooruitzicht. Daaraan is echter wel de voorwaarde van gehoorzaamheid en trouw verbonden. Luister naar wat Mozes namens God tegen het volk Israël moet zeggen:
Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort mij toe. Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.[19]
Gods voornemen met zijn bruid is in nieuwtestamentische tijden onveranderd gebleven. Dat blijkt uit een brief van de apostel Petrus aan de gelovigen in het gebied waarin ook Asia (met o.a. de zeven gemeenten) is gelegen. Daarin lezen we:
Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft....[20]
Gods beloften ten aanzien van zijn bruid zijn dus onveranderlijk. Dat geldt echter óók voor de voorwaarden die Hij aan die beloften heeft gesteld. Zowel in oudtestamentische als in nieuwtestamentische tijden verwacht Hij van haar dat zij standvastig zal zijn en Hem trouw zal blijven.
In de woestijn: blijft de vrouw standvastig en trouw?
Tot dusver zijn er opmerkelijke parallellen aan te tonen tussen Israël en de vrouw. Beide zijn Gods ‘bruid’, beide hebben te lijden onder onderdrukking of vervolging en beide vinden daarna een veilig toevluchtsoord in de woestijn. Die periode van verblijf in de woestijn is zowel voor Israël als voor de vrouw een tijdperk van cruciaal belang. Het is een tijd waarin ze hun verdere toekomst kunnen bepalen door zich aan de voorwaarden te houden die God aan zijn verbond met hen heeft gesteld. Wat het volk Israël betreft, weten we dat zij daarin jammerlijk tekort zijn geschoten. Rebellie tegen het gezag van Mozes, hoererij in letterlijke en overdrachtelijke zin, in allerlei opzichten hebben zij Gods verbond met hen geschonden en zijn wetten overtreden. De verontrustende vraag die zich hier opdringt, is deze: "Zal er ook sprake zijn van een parallel tussen 'Israël in de woestijn' en 'de vrouw in de woestijn'?” Met andere woorden: “Zal de vrouw daar, in de woestijn, God net zo ontrouw worden als het geval was bij Israël? Of zal blijken dat zij van de ervaring van Israël heeft geleerd en de vermaningen van de Mensenzoon aan de zeven gemeenten ter harte heeft genomen?” Voorlopig zullen we het antwoord op deze vragen nog schuldig moeten blijven.
Maar één ding is wel duidelijk: de draak zit niet stil, ook niet nu de vrouw veilig in de woestijn is. De tweede fase van ‘de grote strijd’ staat al voor de deur. Dit is wat Johannes erover vermeldt: “De draak was woedend op de vrouw en ging weg om strijd te leveren met de rest van haar nageslacht, met allen die zich aan Gods geboden houden en bij het getuigenis van Jezus blijven.
Hij ging op het strand bij de zee staan” (12.17-18). In de volgende hoofdstukken zullen we hier nader op ingaan.
[1] Zie Hoofdstuk IX, p.44-45
[2] Jeremia 3.6-9
[3] Een aparte studie over Gods verbondsvolk in het nieuwe testament kan worden besteld via apocalyps41@hotmail.com o.v.v. Israël in het nieuwe testament
[4] Respectievelijk Johannes 3.29 en 2 Korintiërs 11.2
[5] 2 Korintiërs 11.3
[6] 1 Koningen 16.31
[7] Matteüs 27.26
[8] https://historianet.nl/maatschappij/godsdienstgeschiedenis/christenen-voor-leeuwen-gegooid
[9] https://historianet.nl/maatschappij/godsdienstgeschiedenis/christenen-voor-leeuwen-gegooid
[10] https://nl.wikipedia.org/wiki/Perpetua_en_Felicitas
[11] https://nl.wikipedia.org/wiki/Martelaar_(christendom)
[12] https://en.wikipedia.org/wiki/Christianity_and_paganism
[13] https://historianet.nl/maatschappij/godsdienstgeschiedenis/christenen-voor-leeuwen-gegooid
[14] https://nl.wikipedia.org/wiki/Christenvervolgingen
[15] https://en.wikipedia.org/wiki/History_of_Christianity#Early_Christianity_(c._31/33%E2%80%93324)
[16] Zie hiervoor ook Hoofdstuk IV
[17] Exodus 19.3-4
[18] Zie de beloften van de Mensenzoon aan de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3
[19] Exodus 19.5-6
[20] 1 Petrus 2.9-10