Voorwoord van Johannes

III VOORWOORD VAN JOHANNES

(1.1-11)


De meeste Bijbelverklaarders dateren de Openbaring van Jezus Christus rond 95 na Christus. Dat is 60 tot 65 jaar nadat Jezus met zijn leerlingen in het land Israël rondtrok. Daarbij riep hij de mensen op hun leven te verbeteren en zich voor te bereiden op de komst van het Koninkrijk van God.[1] Ook in zijn indrukwekkende rede over ‘het einde der tijden’ benadrukte Jezus dit ingrijpende gebeuren.[2] Johannes heeft nu in zijn visioenen zien gebeuren wat Jezus destijds aankondigde. Hij zag de tekenen waarover Jezus sprak in vervulling gaan en hoorde ook hier weer dat Jezus benadrukt dat hij spoedig komt. Conform de opdracht die hij van Jezus krijgt, stuurt Johannes zijn boek met visioenen aan zeven christelijke gemeenschappen in Asia (1.11).


Genade en vrede… (1.4-8)

We zouden eigenlijk verwachten dat Johannes zijn verslag begint met de indrukwekkende taferelen waarvan hij getuige is geweest. Maar in plaats daarvan richt hij de aandacht van zijn lezers eerst op de Auteur van het boek. De rol van Johannes met betrekking tot de visioenen is die van een verslaggever.

 

Als eerste wenst Johannes hen “genade en vrede” toe, niet alleen van God de Vader, maar ook van de Geest en bovenal van Jezus Christus. Uit heel de Schrift, inclusief de Openbaring, blijkt dat deze drie één zijn, niet alleen in wezen maar ook in doelstelling en handelwijze. De reden waarom Jezus hier de meeste aandacht krijgt, is dat hij in heel de Openbaring de hoofdpersoon is. Het is dankzij hem en dóór hem dat ‘het herstel van alle dingen’ gerealiseerd gaat worden.·

 

Jezus heeft de Openbaring van God ontvangen. Vervolgens heeft hij die aan Johannes bekend gemaakt (1.1-3). Om die reden noemt Johannes Jezus hier “de betrouwbare getuige”. Hij is ook de “eerstgeborene van de doden”. Dit is belangrijk omdat dankzij het feit dat Jezus de dood heeft overwonnen hij de opstanding van de gelovigen aan het einde der tijden mogelijk heeft gemaakt. Bovendien heeft hij door zijn bloed, dat voor ons heeft gevloeid, ons niet alleen van de dood verlost, maar zelfs gemaakt tot ‘koninklijke priesters’. Dit houdt in dat wij straks, als het ware met de status van koningen, net als vroeger de priesters in de tempel, voor altijd in Gods directe nabijheid mogen verkeren. Geen wonder dat Johannes zijn lofprijzing van Jezus afsluit met een hartstochtelijk “Amen” (1.6).


Maar wat in deze visioenen vooral de aandacht zal vragen, is dat Jezus “komt te midden van de wolken”, zichtbaar voor vriend en vijand. Laatstgenoemden zullen dan in gehuil en gejammer uitbarsten, omdat ze beseffen dat hun lot bezegeld is.


Op Patmos (1.9)

Na de zegenwens vertelt Johannes zijn lezers over de buitengewoon indrukwekkende ervaring die hij heeft gehad.


Lotgenoten. Hij herinnert hen eraan dat ze lotgenoten zijn. Beiden weten uit ervaring wat het betekent verdrukt te worden omwille van het geloof. Maar er klinkt ook vastberadenheid door in de woorden van Johannes. Ze zijn weliswaar lotgenoten in de verdrukking, maar bovenal geloofsgenoten in hun trouw aan Jezus, en deelgenoten van zijn Koninkrijk.

 

“Het getuigenis van Jezus”. Voor Johannes betekende ‘verdrukking’ dat hij naar het eiland Patmos werd verbannen. Hij had dit als een zware tegenslag kunnen ervaren. Maar achteraf blijkt dit juist een geweldige geloofservaring voor hem op te leveren. In Gods voorzienigheid ontvangt hij in dit verbanningsoord “het Woord van God” over alles wat binnenkort moet gebeuren. Het is Jezus zelf die hem daarvan zijn “getuigenis” gaf (1.1-3). Deze Openbaring van Jezus Christus is in eerste instantie gericht aan de zeven gemeenten om hen te bemoedigen en te versterken in het geloof. Wat aanvankelijk een nederlaag leek, maakte God tot een overwinning. Hij gebruikte de verbanning van Johannes als een gelegenheid om de gelovigen op de toekomst voor te bereiden. Ook al lijken Gods kinderen soms een veldslag in de grote strijd tussen goed en kwaad te verliezen, God kan alles ten goede keren.


De ‘dag van de Heer’ (1.10)

Het is niet de bedoeling van deze studie om een tekst-voor-tekst verklaring van de Openbaring te geven. Maar het is wel zinvol om wat nader op dit begrip in te gaan. Voor deze uitdrukking hebben Bijbelcommentatoren en ook Bijbelvertalers een paar verklaringen.

-         De eerste en wijdst verbreide populaire opvatting is dat hiermee het tijdstip wordt bedoeld waarop Johannes zijn visioenen kreeg. Dat zou dan de eerste dag van de week, de zondag zijn geweest.

-         Een tweede verklaring is dat met ‘de dag van de Heer’ wordt verwezen naar een gebeurtenis die nog moet plaatsvinden, namelijk de oordeelsdag die God al vele keren in zijn Woord heeft aangekondigd.


De meeste Bijbelcommentatoren kiezen voor de eerste verklaring. Maar die uitleg verliest al spoedig zijn geloofwaardigheid, zodra we beseffen dat hierbij sprake is van het teruglezen in de tekst van een latere historische ontwikkeling. Immers, over ‘onze’ zondag wordt pas in de loop van de tweede eeuw na Christus gesproken als de ‘dag van de Heer’. Dat is tientallen jaren nadat Johannes zijn visioenen kreeg. Nergens in heel het nieuwe testament wordt naar ‘onze’ zondag verwezen als de ‘dag van de Heer’. In alle gevallen waar deze dag ter sprake komt, wordt hij de ‘eerste dag van de week’ genoemd. Iedere lezer die een Bijbel ter beschikking heeft, kan dat zelf eenvoudig nagaan.


Dat er commentatoren zijn die niet altijd consequent met deze tekst omgaan, blijkt ook uit het volgende. De vertalers van de Willibrordbijbel plaatsten deze aantekening bij Openbaring 1.10: “‘de dag van de Heer’: De dag van de opstanding van Jezus, de latere christelijke zondag”.[3] Het is opmerkelijk dat ze hier nog wel vermelden dat het de latere christelijke zondag betreft. Maar deze toelichting blijkt wel geheel in tegenspraak te zijn met wat de vertalers van dezelfde Bijbel bij Romeinen 2.5 over de “dag van de Heer” zeggen. Daar lezen we: “In het N.T. is ‘de dag van de Heer’ de dag waarop Jezus opnieuw zal komen, de doden zullen verrijzen en alle mensen door de Heer, door God ‘aangesteld als rechter van levenden en doden’, namens God zullen worden geoordeeld; het oordeel is voorbehouden aan God, die zal het uitspreken door Christus Jezus. Daarom wordt deze dag ook genoemd ‘dag van het oordeel’ en ‘de laatste dag’.[4]


Er zijn vanzelfsprekend ook gerespecteerde Bijbelcommentatoren die wél oog hebben voor de Bijbelse achtergrond van de ‘dag van de Heer’. Die kiezen dan ook voor de tweede verklaring. Zij wijzen erop dat zowel in het oude als het nieuwe testament deze uitdrukking altijd betrekking heeft op Gods ingrijpen in de geschiedenis. Die ‘dag’ is nooit een bepaald tijdstip, maar altijd een gebeurtenis, de apocalyptische oordeelsdag waarop God recht spreekt over zijn vijanden en die van zijn volk.


Hier volgt een drietal voorbeelden van deze tweede uitleg. Elk van deze commentatoren heeft een geheel verschillende theologische achtergrond:

Willem Duvekot (Hervormd predikant) refereert aan de oudtestamentische achtergrond van de ‘dag van de Heer’. Hij wijst op de bazuin die Johannes bij deze gelegenheid hoort: “Hiermee wordt uitgedrukt dat het visioen en de woorden die gesproken worden te maken hebben met het komen van het Rijk van God, en daarom van grote betekenis zijn.”[5]


David Stern (Messiaanse jood) verwijst in zijn Joods nieuwtestamentisch commentaar ook naar de oudtestamentische achtergrond: “Yochanan heeft Gods Laatste Oordeel gezien en doet hier verslag van deze unieke ervaring.” Als bewijs daarvoor voert hij aan dat dit “door de context wordt ondersteund, aangezien heel het boek Openbaring gaat over het Laatste Oordeel dat keer op keer in de Tanakh in het Hebreeuws “yom YHVH’ (“de dag van of Adonai,” “de Dag van de Heer”) wordt genoemd.[6]


De Anglicaanse theoloog Goldsworthy merkt over deze dag het volgende op: “De dag van de Heer is de dag van zijn overwinning. Het is dag waarop Gods redding wordt geopenbaard, die voor heel zijn volk werkelijkheid is geworden. Anderzijds is het een dag van wraak over allen die volharden in hun opstandig verzet tegen het koninkrijk van God.”[7]


Dat de ‘dag van de Heer’ de oordeelsdag is, kunnen we ook zelf concluderen uit wat Johannes tot dusver al heeft vermeld: Jezus heeft hem in visioen alles getoond wat binnenkort staat te gebeuren (1.1,3). Wat dat inhoudt, is duidelijk als we 1.7 erbij betrekken. Zijn komst ‘te midden van de wolken’ is onmiskenbaar de oordeelsdag. Dan is het een logisch vervolg op het voorgaande wanneer hij in 1.10 vermeldt dat hij op Patmos in geestvervoering die ‘dag’ heeft meegemaakt. En zoals Stern ook al opmerkte, héél de Openbaring staat in het teken van dat komende oordeel. Er is God blijkbaar veel aan gelegen om de zeven gemeenten goed op deze indrukwekkende dag voor te bereiden. Daarom moet Johannes alles opschrijven en hen zijn verslag toesturen. Hij drukt hen op het hart dat ze er met volle aandacht kennis van moeten nemen: “Gelukkig is wie dit voorleest, en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich houden aan wat hier gezegd wordt. Want de tijd is nabij” (1.3). De gelovigen van deze gemeenten kunnen er alvast voor gaan zitten.



[1] Matteüs.4.17

[2] Matteüs 24 (vergelijk Marcus 13 en Lucas 21.5-36)

[3] De Bijbel, Willibrordvertaling, Schooleditie, Geheel herziene uitgave 1995, Katholieke Bijbelstichting, ’s Hertogenbosch, 1996, Aantekeningen Nieuwe Testament, p.100

[4] ibid, p.54. (de talrijke tekstverwijzingen in de beide aantekeningen zijn bij dit citaat niet vermeld)


[5] Duvekot, p.29

[6] Stern,  p.791. NOTE: Alle vertalingen Engels-Nederlands in deze studie zijn van de hand van Laurens Joosse

[7] Goldsworthy, p.59


Vorig hoofdstuk

Volgend hoofdstuk

Share by: