De zeven gemeenten

IV DE ZEVEN GEMEENTEN


Voorbereiding op de toekomst (1.12-3.22)


Jezus verschijnt aan Johannes (1.12-20)


Johannes brengt aan zijn lezers verslag uit van een buitengewoon enerverende ervaring. Op het eiland Patmos raakte hij geheel onverwachts in geestvervoering. Hij hoorde plotseling achter zich een luide stem “die klonk als een bazuin” (1.10). Toen hij zich omkeerde stond daar een oogverblindende verschijning die veel op een mens leek, maar ook sterk afwijkende fysieke kenmerken had. Zijn hoofd en haren zagen eruit als witte wol of sneeuw, zijn ogen waren als een vlammend vuur, zijn voeten gloeiden als brons in een oven, en Hij had een stem die klonk als geweldige watermassa’s. Dit maakte zo’n overweldigende en angstaanjagende indruk op Johannes dat hij “als dood” neerviel. Maar hij heeft niets te vrezen want het eerste wat deze verschijning zegt, zijn de geruststellende woorden: “Wees niet bang.” Uit wat deze ‘mens’ verder tegen Johannes zegt, blijkt dat Jezus zelf hier aan het woord is. Hij is niet zomaar ‘een mens’ maar de Mensenzoon, de opgestane Heer die alle macht heeft over de dood en het dodenrijk. Heel deze bijzondere verschijning straalt eerbiedwaardigheid, gezag en kracht en macht uit. Met wat Johannes hier ziet en hoort, is niet alleen voor hem maar ook voor de gelovigen een goede basis gelegd om met het volste vertrouwen te gaan luisteren naar wat Jezus hen te zeggen heeft.

Dat Jezus hier tussen zeven gouden lampenstandaards verschijnt, is niet toevallig. Daarmee maakt hij duidelijk dat Hij zich te midden van de zeven gemeenten bevindt, die Hij zo meteen zal toespreken.

Jezus draagt een gouden borstband en een lang gewaad. Beide attributen herinneren aan de kledij van de hogepriester (Ex.28.4; 39.29). Met deze meervoudige tempelsymboliek wordt uitdrukking gegeven aan de hogepriesterlijke zorg van Jezus voor deze gemeenten. Verder ziet Johannes nog dat Jezus zeven sterren in zijn rechterhand houdt. Die stellen de zeven engelen (dienaren) van deze zeven gemeenten voor. We moeten daarbij in gedachten houden dat de rechterhand in de Bijbel altijd een positieve betekenis heeft. Alles bij elkaar genomen is het duidelijk dat Jezus het beste met de zeven gemeenten voorheeft. Dat zal vooral blijken uit boodschap die Johannes voor elk van hen zal krijgen.

 

Johannes moet alles vastleggen

Al op het moment dat hij de bazuin hoorde klinken, kreeg Johannes de opdracht alles wat hem zou worden getoond op te schrijven in een boek. Dat moest hij naar zeven gemeenten sturen, waarvan hem de namen werden gegeven (1.11). Nu krijgt hij nog een nadere specificatie van die opdracht. Hij moet opschrijven:

1)     wat hij gezien heeft (het visioen van zojuist, van de verschijning van Jezus)

2)     wat er nu is (hoe het er met het geestelijke leven van de zeven gemeenten voorstaat)

3)     wat hierna zal gebeuren (de toekomst, zoals getoond zal worden in de visioenen vanaf Openbaring 4)

Deze specificatie is belangrijk, want commentatoren die hieraan onvoldoende aandacht schenken, lopen een reëel gevaar het verslag van Johannes verkeerd te interpreteren.

 

Jezus en de zeven gemeenten (2.1-3.22)

De gelovigen in deze zeven gemeenten zullen zeker verrast hebben opgekeken toen het boek van Johannes bij hen werd bezorgd. De beschrijving van het visioen van de Mensenzoon moet ook op hen diepe indruk hebben gemaakt. Ze zullen dan ook ongetwijfeld met intense belangstelling hebben geluisterd naar wat Jezus hen te vertellen had.

 

Eén geloofsgemeenschap: zeven gemeenschappelijke kenmerken

Als we het geheel overzien van wat de Mensenzoon de gemeenten te zeggen heeft, dan constateren we dat deze boodschappen zijn samengesteld uit zeven onderdelen (zie fig.2).[1] In dit alles staat de Mensenzoon centraal. Hij is het die de zeven gemeenten vermaant, bemoedigt en aanspoort goed te luisteren naar wat de Geest hen te zeggen heeft. De zeven gemeenschappelijke kenmerken kunnen we als volgt schematisch weergeven:


 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1 “Dit zegt Hij, die …” Bij alle zeven gemeenten introduceert de Mensenzoon zich met één of meer van zijn persoonlijke kenmerken. In totaal worden er veertien verschillende (= 2 x 7) kenmerken genoemd. We merken hierbij op dat we er weliswaar vijftien tellen, maar dat één daarvan - de zeven sterren - tweemaal voorkomt. Vanuit zijn ‘persoon’ schept de Mensenzoon zo een band met alle zeven gemeenten.

 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

2  “Ik weet …” De Mensenzoon laat de gemeenten weten dat Hij kennis en inzicht heeft in de bestaande situatie bij elk van hen. Alle zeven mogen zich verheugen in zijn belangstelling en zorg.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ ---

3  “ Maar Ik heb tegen u …” Wat Hij óók weet, is dat er in de gemeenten zonden worden gevonden, waarvan ze zich moeten bekeren. Op dit punt doen zich echter twee uitzonderingen voor (Smyrna en Filadelfia).

 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

4  “…breek met het leven dat u nu leidt…” (of woorden van gelijke strekking). Alle gemeenten die daarvoor in aanmerking komen, moeten hun verkeerde gedrag veranderen en gehoor geven aan de oproep die de Mensenzoon tot hen richt.

 ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------5  …anders zal Hij ingrijpen … (of woorden van gelijke strekking). Enerzijds komt de Mensenzoon, wanneer Hij de tijd en omstandigheden daarvoor rijp acht, om iedereen te vergelden naar zijn werken (2.23). Wie geweigerd heeft zich te bekeren, zal dan zijn gerechte straf ontvangen.

 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

6 “Wie overwint …” Anderzijds bemoedigt Hij elke gemeente met één of meer beloften voor de “overwinnaars” onder hen.

 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

7  “Wie oren heeft moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt”. Wat de Geest tegen de ene gemeente te zeggen heeft, geldt evenzeer voor alle andere.

 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------fig 2 Gemeenschappelijk grondpatroon van boodschappen aan de zeven gemeenten


Hoewel Jezus dus voor elke gemeente een specifieke boodschap heeft, blijkt iedere keer weer dat die óók voor de andere zes bestemd is. Bij elke boodschap luidt zijn instructie: “Wie een oor heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt”. Wat de ene gemeente te horen krijgt, moet dus ook door de andere ter harte worden genomen. Ze moeten hun ervaringen, belangen en toekomstverwachting als een gemeenschappelijke aangelegenheid beschouwen. Door de bemoedigingen die de ene ontvangt, worden ook de andere gesterkt. Bepaalde zonden waarvoor de ene gemeente wordt bestraft, kunnen evengoed de kop opsteken in een andere. Maar het zijn bovenal de beloften waaruit blijkt dat wat de Geest tot de ene gemeente zegt in principe ook op alle andere van toepassing is. Het zou immers ondenkbaar zijn dat alleen Smyrna van de tweede dood geen schade zou lijden en de andere wél. Of dat de overwinnaars uit de ene gemeente (Efeze) straks van de vruchten van de levensboom mogen eten en de andere niet. Evenmin kunnen we ons voorstellen dat alleen de overwinnaars uit Laodicea wél met Jezus zijn troon mogen delen en de overwinnaars uit de andere gemeenten niet. Kortom, de draagwijdte van elke boodschap reikt verder dan de gemeente waaraan ze in eerste instantie is gericht. Uit alles blijkt dat deze zeven gemeenten geen losse, van elkaar geheel onafhankelijke groepen van gelovigen zijn, maar dat ze samen één grote geloofsgemeenschap vormen. En de Mensenzoon ziet nauwlettend toe op hun wel en wee.

 

Drie hardnekkige zonden

Met het oog op de visioenen over de toekomst, die hierna zullen volgen, is het van belang dat we extra aandacht schenken aan de zonden die in deze gemeenten worden gevonden. Het betreft drie hardnekkige zonden die we overigens in heel de Bijbelse geschiedenis steeds weer tegenkomen.

 

1)     De eerste zonde: de liefde is verkoeld. Dit wordt gezegd over de gemeente te Efeze. Daar zijn ze weliswaar ‘zuiver in de leer’, maar ze schieten ernstig tekort in het meest fundamentele element van een gezonde relatie tussen God en de mens. Zodra de liefde voor God vermindert, ontstaat er een vacuüm dat spoedig wordt gevuld met zonden die mensen dan nog verder van God vervreemden. Als zij geen verbetering in hun leven willen aanbrengen, zal God hun lampenstandaard wegnemen. Anders gezegd, Hij zal zich van de gemeente Efeze afkeren, ze zullen door hem worden verworpen.

2)     De tweede zonde: afgoderij en hoererij. Dit is een ‘tweeling-zonde’ waaraan de gemeenten te Pergamum en Tyatira zich schuldig maken. Afgoderij staat gelijk aan geestelijke hoererij. Deze gemeenten worden gewaarschuwd dat als ze hun leven niet beteren God zelf zal ingrijpen ‘met het zwaard’ en verdrukking.

3)   De derde zonde: schijngeloof en gebrek aan zelfkennis. Deze ‘tweeling-zonde’ is kenmerkend voor twee gemeenten. In Sardes hebben ze een totaal vertekend zelfbeeld. Ze menen dat het met hun geestelijk leven wel goed zit, terwijl Jezus hen duidelijk maakt dat het tegenovergestelde het geval is. Als dat niet verandert, zal zijn komst hen net zo overvallen als het nachtelijk bezoek van een dief. In Laodicea is het niet veel beter. Daar zijn ze erg met zichzelf ingenomen en denken dat ze alles hebben wat voor een gezond geestelijk leven nodig is. Maar Jezus stelt hun zelfgenoegzaamheid aan de kaak. In zijn ogen zijn ze “koud noch heet”, niet rijk maar straatarm. Ze zijn geestelijk blind, net als hun geloofsgenoten in Sardes.

------------------------------

Gemeente

-----------------------------------------

Efeze


----------------------------------------

Smyrna

----------------------------------------

Pergamum/Tyatira



----------------------------------------

Sardes/Laodicea



----------------------------------------

Filadelfia

----------------------------------------

--------------------------------------------------

Zonde en straf

--------------------------------------------------------------

1e Zonde: eerste liefde verzaakt

Straf: uw lampenstandaard wegnemen

------------------------------------------------------------------

Géén

------------------------------------------------------------------

2e Zonde: afgoderij en hoererij

Straf: Gods zwaard zal hen treffen (Pergamum)

Straf: zware verdrukking (Tyatira)

-------------------------------------------------------------

3e Zonde: schone schijn/ gebrek aan zelfkennis

Straf: Ik zal u overvallen als een dief (Sardes)

            Straf: uit mijn mond spuwen (Laodicea)

------------------------------------------------------------------

Géén-

------------------------------------------------------------------

--------------------------------------------

Bekering en beloning

-------------------------------------------------------

Eten van de levensboom in Gods paradijs


-----------------------------------------------------------

Géén tweede dood ondergaan

-----------------------------------------------------------

Manna te eten krijgen/nieuwe naam

Macht over de volkeren


-----------------------------------------------------------

Witte kleren/naam blijft in boek v/h leven

Met Jezus zitten op zijn troon


-----------------------------------------------------------

Zuil in Gods tempel/nieuwe naam

-----------------------------------------------------------


Fig.3 Drie kenmerkende zonden en hun straf versus bekering en beloning



Drie gemeenschappelijke thema’s

1)     Gevaren. We hebben hierboven al gezien dat de boodschap van Jezus voor deze zeven gemeenten een gemeenschappelijke aangelegenheid is. In die boodschap komen twee gevaren ter sprake die hun geestelijk welzijn bedreigen. Ten eerste is daar het gevaar van binnenuit. Op het moment dat de Mensenzoon aan Johannes verschijnt, heeft Hij bij vijf van de zeven bepaalde zonden geconstateerd. Dat moet veranderen, anders zullen die hun relatie met God ondermijnen en uiteindelijk geheel verbreken. Maar er dreigt ook een gevaar van buitenaf – en dat is vervolging. Bij een tweetal wordt dat zelfs uitdrukkelijk vermeld (Smyrna en Pergamum). Wat dit betreft ziet de toekomst er niet rooskleurig uit. Er komt zelfs een tijd van “beproeving”, niet alleen voor de zeven gemeenten, maar voor “heel de aarde” (3.10). Daarmee hebben we het eerste gemeenschappelijke thema vastgesteld: gevaren die het geestelijk leven van de gemeenten bedreigen, zowel van binnenuit als van buitenaf.

2)     Waarschuwing. Die gevaren brengen ons bij het tweede thema. De Mensenzoon richt een ernstige waarschuwing aan deze vijf gemeenten. Ze doen er allemaal goed aan die ter harte te nemen. Wie er geen gehoor aan wil geven, zal daarvan de consequenties moeten dragen. Maar wie zich van zijn zonden bekeert en ook onder vervolging het geloof niet opgeeft, zal tot de ‘overwinnaars’ worden gerekend.

3)     Oordeel. Het derde gemeenschappelijke thema is een logisch vervolg op de twee voorgaande. De Mensenzoon zal komen om te oordelen. Dan zal Hij iedereen “belonen naar zijn daden” (2.23).

Voor de overwinnaars betekent dit dat zij hun loon zullen ontvangen. Daarentegen zullen degenen die zich niet hebben willen bekeren en niet in het geloof hebben volhard, hun straf moeten ondergaan.

 

Uit deze drie gemeenschappelijke thema’s blijkt opnieuw dat de zeven gemeenten samen één geloofsgemeenschap vormen. Als zij de vermanende, maar óók bemoedigende boodschap van de Mensenzoon ter harte nemen, zijn ze daarmee op de toekomst voorbereid.

 

Het einddoel bereiken

We weten uit het voorwoord van Johannes (1.9) dat hij persoonlijk met de zeven gemeenten bekend was, inclusief hun verdrukkingen. Uit de eerste brief van Petrus blijkt dat er in Asia en de omliggende streken al enige tijd verschillende gemeenten bestonden. Petrus richt zich in zijn brief tot deze gelovigen en moedigt hen aan te volharden, ook al moeten ze “nog een korte tijd allerlei beproevingen verduren”. Hij wijst hen erop dat de beproevingen waaronder ze te lijden hebben, bijdragen tot versterking van hun geloof. Als ze blijven volhouden, zullen ze daarmee “lof, eer en roem” verwerven bij de komst van Jezus Christus. Volgens hem zullen ze dan gered zijn en daarmee “het einddoel” van het geloof hebben bereikt.[1]

 

Dat einddoel bereiken, is nog steeds wat de Mensenzoon voor ogen staat. Daarom vermaant en bemoedigt Hij hen. Weliswaar zijn de zonden van Efeze en Laodicea zó erg dat ze door Hem verworpen zullen worden, tenzij ze zich bekeren, maar tegelijkertijd is het overduidelijk dat Hij niet erop uit is hen te straffen. Want aan elke dreiging met straf gaat een oproep tot bekering vooraf. Hij doet dit vanwege de liefde die Hij voor zijn gemeenten koestert. “Iedereen die ik liefheb wijs ik terecht en bestraf ik”, zo zegt Hij tegen Laodicea. Jezus is niet te midden van de lampenstandaards verschenen met de bedoeling er één of meerdere te verwijderen, maar juist om hen in staat te stellen hun licht weer volop te laten schijnen. Om die reden worden de gemeenten opgeroepen zich van hun zonden te bekeren, het geloof niet op te geven en zo het einddoel te bereiken.

 

De zeven gemeenten: voorbeeldfunctie

Alles wat Jezus over de zeven gemeenten te zeggen had, vinden we opgetekend in het tweede en derde hoofdstuk van de Openbaring. Inhoudelijk is dat de informatie over “wat er nu is” (1.19). Maar Johannes moet ook nog verslag doen van “wat er hierna gebeuren moet” (4.1). Dat zijn de toekomstvisioenen die nog zullen volgen. Chronologisch gezien vormen de zeven gemeenten dus de voorhoede van de gelovigen die vanaf hoofdstuk vier op het apocalyptische wereldtoneel zullen verschijnen.


Dat deze gemeenten de voorhoede vormen van de latere generaties gelovigen, zal geen enkele Bijbelverklaarder betwisten. Maar ze verschillen onderling wel van inzicht wat betreft de vraag of deze gemeenten ook nog een verdere betekenis hebben. Zonder daar uitgebreid op in te gaan, kunnen we een drietal visies hierop kort weergeven.

 

a)     Profetisch-symbolische rol. Een aantal exegeten is van mening dat er voor deze zeven gemeenten ook een profetische rol is weggelegd. In hun ogen staan die gemeenten, in dezelfde volgorde als waarin ze door Jezus worden aangesproken, symbool voor zeven achtereenvolgende tijdperken in de kerkgeschiedenis. Efeze vertegenwoordigt daarbij de eerste periode, die van de apostolische kerk. De overige zes symboliseren zes daarop volgende tijdperken. Laodicea is dan de laatste periode, die eindigt met de wederkomst. De geestelijke toestand van een bepaalde gemeente ziet men dan als kenmerkend voor het daarmee corresponderende tijdperk. Van deze visie bestaan diverse varianten die onderling aanzienlijk kunnen verschillen wat betreft gebeurtenissen en de exacte duur van een bepaald tijdperk.[2]

b)     Geen symbolische betekenis. Andere exegeten wijzen bovenstaande visie af. In de eerste plaats wijzen ze op de gespecificeerde schrijfopdracht die Johannes zojuist heeft ontvangen. In overeenstemming daarmee heeft hij alles over de zeven gemeenten opgeschreven, dus “wat er nu is”. Vervolgens moet hij ook nog opschrijven “wat hierna gebeuren moet” en daarmee komt pas de toekomst, de latere kerkgeschiedenis, in beeld. Zij zijn van mening dat de zeven gemeenten weliswaar een legitieme plaats en rol hebben in de aanvangsfase van het boek Openbaring, maar dat hun rol en betekenis daartoe beperkt dient te blijven. De gemeente Efeze zou volgens hen zelfs geen profetische betekenis kúnnen hebben. Want de periode die aan deze gemeente gekoppeld wordt (33-100 na Chr.), was al zo goed als verleden tijd toen Johannes zijn visioenen kreeg (rond 95 na Chr.). Ook kunnen zij de historische feiten van het tijdperk dat aan Smyrna wordt gekoppeld niet rijmen met het geloofsleven van deze gemeente. Smyrna is een van de twee gemeenten waarop de Mensenzoon geen kritiek heeft, terwijl in de kerkgeschiedenis het vermeende ‘Smyrna tijdperk’ (100-315) juist gekenmerkt wordt door veel theologische strijd, kerkscheuringen en ketterijen (bijv. Gnosticisme, Marcionisme, Montanisme, opkomst van de strijd om primaatschap van Rome, etc. etc.). Het is dus juist in de tweede eeuw dat de eerste grote twisten over leerstellige kwesties onder de christenen onderling plaatsvindt. Op grond van deze en soortgelijke bezwaren ontkent deze groep Bijbelverklaarders dat de zeven gemeenten een profetische functie zouden hebben.

c)      Voorbeeldfunctie. Ook al hebben deze Bijbelverklaarders tot op zekere hoogte gelijk, toch gaat het veel te ver om de zeven gemeenten alleen maar te zien als de ontvangers van het boek Openbaring. Het is volledig Bijbels verantwoord er vanuit te gaan dat Johannes de ervaringen van deze gemeenten moest opschrijven om ze als voorbeeld te laten dienen voor latere generaties gelovigen. In diezelfde geest schrijft de apostel Paulus aan de christengemeente in Rome: “Alles wat vroeger is geschreven, is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden en door troost te putten uit de Schriften zouden blijven hopen.”[3] Zo herinnert hij ook de gemeente in Korinthe aan de ervaringen van Israël: “Wat hun overkomen is, moet ons tot voorbeeld strekken; het is geschreven om ons, voor wie de tijd ten einde loopt, te waarschuwen”.[4] De Openbaring van Jezus Christus, inclusief de boodschap aan de zeven gemeenten, laat er geen enkele twijfel over bestaan dat dit einde nu heel dichtbij is gekomen. De zeven gemeenten staan aan het prille begin van de kerkgeschiedenis. De Mensenzoon heeft hen aangesproken op hun fouten en gebreken met de bedoeling hen te helpen het einddoel te bereiken. Op hun beurt kunnen latere generaties gelovigen zich nu aan deze gemeenten spiegelen, om net als zij als overwinnaars te eindigen.


We kunnen dan ook zonder aarzeling stellen dat de zeven gemeenten een belangrijke voorbeeldfunctie hebben voor alle gelovigen uit alle tijden.


Verschillende niveaus

Die voorbeeldfunctie van de zeven gemeenten is van toepassing op verschillende niveaus:

- Persoonlijk. Iedere gelovige kan één of meerdere fasen in zijn leven meemaken waarin zijn geloof het ene moment misschien lijkt op dat van Efeze maar op een later tijdstip mogelijkerwijs meer op dat van Tyatira. In elke fase van zijn geloofsleven kan een gelovige profiteren van de raadgevingen van de Mensenzoon aan die betreffende gemeente.

-Plaatselijk. Het collectieve geloofsleven van een plaatselijke kerkgemeenschap kan ook lijken op dat van een van de zeven gemeenten. Maar ook zo’n kerk zal in de loop der jaren verschillende fasen doormaken en heeft dan telkens de mogelijkheid zich te spiegelen aan de corresponderende gemeente uit Openbaring.

-Regionaal. Het is goed denkbaar dat hetzelfde verschijnsel als hierboven zich voordoet op regionaal niveau. Zelfs een aantal landen in dezelfde regio kunnen op een bepaald moment een Filadelfia-type geloofsleven hebben. Maar dat kan onverhoopt ook veranderen in een Sardes-ervaring. Ook hier is de boodschap van de Mensenzoon dan weer van toepassing.

-Wereldwijd? Als we kritisch kijken naar het geestelijke leven van de kerken in het rijke Westen, dan constateren we dat daar in onze tijd op grote schaal Laodicea-achtige toestanden heersen. Maar om te stellen dat ‘de kerk’ in onze tijd wereldwijd Laodicea is, is niet realistisch. We kunnen onmogelijk volhouden dat de kerken in bepaalde regio’s in Afrika en Latijns-Amerika, waar de gelovigen vol vuur het evangelie beleven en verkondigen, zich in een Laodicea toestand zouden bevinden.


We moeten ons dus hoeden voor het ongenuanceerd benoemen van christenen en christelijke kerken in termen van de zeven gemeenten. De praktijk levert gewoonlijk geen homogeen beeld op, maar op verschillende tijden en op verschillende plaatsen bestaan verschillende toestanden. Eén ding is echter zeker: elke generatie gelovigen, in elk land en in elk tijdperk, kan zich spiegelen aan deze zeven gemeenten. Ook zij mogen er allemaal zeker van zijn dat de Mensenzoon net zoveel belangstelling heeft voor hun geestelijk welzijn als voor de oorspronkelijke gemeenten. Daarom blijft het voor elke generatie van wezenlijk belang te beseffen dat “Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.”

 

We weten niet in hoeverre de zeven gemeenten de boodschap van de Mensenzoon ter harte hebben genomen, ook al drong Johannes er bij hen sterk op aan die te lezen en zich eraan te houden. In de hierna volgende visioenen zijn deze gemeenten fysiek zelfs helemaal van het apocalyptische toneel verdwenen. Maar elke generatie gelovigen ná deze gemeenten krijgt ook te maken met de drie thema’s zonde, waarschuwing en oordeel. Het lijkt dan ook gerechtvaardigd te concluderen dat Jezus deze zeven gemeenten heeft uitgekozen om met zijn boodschap niet alleen hén maar ook alle komende generaties gelovigen op de toekomst voor te bereiden. De boodschap is dan ook onverminderd van kracht, tot aan het einde toe. Maar wat bovenal telt, is dat de liefde, zorg en belangstelling van Jezus voor het geestelijk welzijn van de gelovigen óók blijvend is, tot de tijd dat Hij komt om zijn beloften aan de gemeenten waar te maken.

 

Tot slot

Is wie het verleden kent, ook op de toekomst voorbereid? De zeven gemeenten waren al een generatie lang bekend met het advies van Paulus, dat gelovigen het voorbeeld van Israël als waarschuwing voor ogen moesten houden. Iedere Bijbelkenner weet hoe vreselijk mis het met Israël is gegaan. Gods wetten waren goed en zolang ze Hem trouw bleven, werden ze gezegend. Toch is Israël steeds weer van God afgeweken. Uiteindelijk zijn ze als ballingen in Babylon terechtgekomen. Als we ons dan realiseren hoezeer de Mensenzoon de zeven gemeenten nu al terecht moet wijzen, dan geeft dat te denken. Niet in het minst wat de volgende generaties gelovigen betreft. Zij hebben het voorbeeld van Israël. Ze zijn óók op de hoogte van de zonden waarvoor de Mensenzoon de gemeenten heeft gewaarschuwd. Maar alleen het verleden kennen, is niet voldoende. Ze zullen ook van het verleden moeten leren. De vraag is nu, gaat de geschiedenis zich wel of niet herhalen? Zal ‘Babylon’ ook hun ervaring worden? In elk geval zijn ze gewaarschuwd. Verder zal de tijd het leren.

 


[1] 1 Petrus 1.1,6,9

[2] Zie bijvoorbeeld https://www.google.nl/search?ei=NaVIX8L1AdKYkwXAg6zgAQ&q=tijdperken+de+zeven+gemeenten+uit+openbaring&oq=tijdperken+de+zeven+gemeenten+uit+openbaring&gs_lcp=CgZwc3ktYWIQDDIFCAAQzQI6BwgAEEcQsANQhaUBWJDNAWD26AFoBHAAeACAAcUCiAH9DZIBBzYuNS4xLjGYAQCgAQGqAQdnd3Mtd2l6wAEB&sclient=psy-ab&ved=0ahUKEwiC5PHWo73rAhVSzKQKHcABCxwQ4dUDCA0

[3] Romeinen 15.4

[4] 1 Korintiërs 10.11


vorig hoofdstuk

Volgend hoofdstuk

Share by: