XIII SERIE B: DE VROUW EN HAAR NAGESLACHT - COMMENTAAR (2)
Overgang van Fase I naar Fase II
(12.17)
In het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat vanaf 313 ook christenen in het Romeinse rijk vrijheid van godsdienst genoten, dankzij het Edict van Milaan. Daarmee was een einde gekomen aan de christenvervolgingen uit Fase I van ‘de grote strijd’. Welke christen had ooit daarvan durven dromen? Maar er waren nog meer ingrijpende veranderingen in de geschiedenis van het christendom op komst. Vanaf de tijd van keizer Constantijn (306-337) vonden bepaalde ontwikkelingen plaats die al vrij snel leidden tot een radicale verandering van de plaats en de status van het christendom binnen het Romeinse rijk. Nog geen driekwart eeuw na het Edict van Milaan was de christelijk religie onder keizer Theodosius I zelfs de officiële godsdienst het rijk geworden (380).
Het Edict van Milaan wordt ook wel het Tolerantie-edict genoemd, of de Konstantinische Wende. Geschiedkundige bronnen vermelden daarover onder andere het volgende:
Dit Edict [van Milaan] staat ook bekend als de "Konstantinische Wende". Daarmee wordt bedoeld de overgang van de verschillende vervolgde groepjes christelijke kerken, die over het Romeinse Rijk waren verspreid, naar een geïnstitutionaliseerde rijkskerk onder één gezag. Eén rijk, één keizer, één godsdienst.[1]
Het Tolerantie-edict markeert een cruciaal moment in de wereldgeschiedenis: feitelijk gingen staat en kerk op dat moment een verbond aan. De Rooms-Katholieke Kerk begon zichzelf vanaf deze gebeurtenis ook steeds meer te zien als de geestelijke opvolger van het staatkundige Romeinse Rijk, dat daarna in verval zou raken.[2]
Over deze ingrijpende ontwikkelingen zullen we later ook nog andere geschiedkundige bronnen raadplagen. Maar laten we nu eerst teruggaan naar de visioenen van Johannes. Wat speelt er zich voor zijn ogen af, nadat de vrouw haar toevlucht in de woestijn gevonden heeft?
DE VROUW EN DE REST VAN HAAR NAGESLACHT (12.17-18)
De draak was woedend op de vrouw en ging weg om strijd te leveren
met de rest van haarnageslacht, met allen die zich aan Gods geboden houden
en bij het getuigenis van Jezus blijven. Hij ging op het strand bij de zee staan.
In deze twee verzen worden behalve de draak ook “de vrouw” en “de rest van haar nageslacht” genoemd. Wat die laatste twee betreft, krijgen we hier met de volgende situatie te maken. Enerzijds hebben we de vrouw, zojuist in de woestijn aangekomen om daar “buiten het bereik van de slang” door God onderhouden te worden (12.6,14). Zij zal daar veilig zijn. Maar anderzijds blijkt dat er voor een deel van haar nageslacht geen sprake is van veiligheid. Integendeel, hen staan zware tijden te wachten (12.17). Hoe kunnen we deze situatie nu verklaren? Is hier misschien sprake van een tegenstrijdigheid?
De vrouw en haar nageslacht
Voor een goed begrip van het drama dat zich hierna gaat afspelen, dienen we het onderscheid tussen “de vrouw”, “haar nageslacht” en “de rest van haar nageslacht” helder in beeld te krijgen. In Hoofdstuk XI van deze studie hebben we vrij uitvoerig stilgestaan bij het concept dat God door de eeuwen heen een ‘bruid’ heeft gehad - en nog steeds heeft.[3] Het spreekt echter vanzelf dat deze bruid in elke generatie weer uit andere gelovigen bestaat. De ene generatie gelovigen sterft, de andere (haar nageslacht) volgt haar op. Ten tijde van koning David was het volk Israël Gods bruid (zijn vrouw) maar de vrouw die het Kind Jezus baarde stelt een véél latere generatie van Gods bruid voor. De vrouw die dankzij het Edict van Milaan een veilig onderkomen in de woestijn vindt, is wéér een veel latere generatie gelovigen. Zo heeft elke generatie ‘vrouw’ op haar beurt weer ‘nageslacht’ - een patroon dat zich door de eeuwen heen steeds weer herhaalt.
In dit licht bezien, hoeft 12.17 geen enkel probleem op te leveren. De vrouw die in de woestijn aankomt, is de generatie gelovigen die niet langer meer door het Romeinse rijk wordt vervolgd. Maar dan, na enkele generaties, komt het ‘nageslacht’ van de vrouw in beeld waarop 12.17 betrekking heeft. En daarbij krijgen we ook te maken met een “rest” van haar nageslacht.
“De rest” van haar nageslacht
De vraag is nu: Wat moeten we onder die “rest” verstaan? Als we de geschiedenis van de opeenvolgende generaties gelovigen raadplegen, dan zijn er tal van voorbeelden waaruit blijkt dat er bijna altijd twee groepen ontstaan. Van vrijwel elke generatie blijft een deel God onder alle omstandigheden trouw terwijl tegelijkertijd het andere deel afvallig is geworden. Ook in Openbaring 12.17 blijkt dat op een gegeven moment het geval te zijn. De vrouw die in de woestijn een veilig toevluchtsoord vond, was een groep of generatie gelovigen die Hem ondanks zware vervolging toch trouw was gebleven. Na enige tijd blijkt echter dat een deel van haar nageslacht zich niet meer aan Gods geboden houdt, maar de rest wél. En die rest wordt vervolgd.
Een grote of een kleine “rest”?
Een volgende vraag die we in dit verband kunnen stellen is: Hoe groot of klein is deze “rest” van het nageslacht van de vrouw? De NBV gebruikt het woord “rest” (12.17) als vertaling van het Griekse grondwoord ‘loipos’ (meervoud: ‘loipoi’).[4] In de verschillende Nederlandse Bijbels wordt het in deze tekst afwisselend vertaald met ‘rest/overigen/anderen’. Dit woord komt ook in tal van andere passages in het nieuwe testament voor om een verdeling aan te geven tussen personen binnen een bepaalde groep. Wie al deze teksten opzoekt, zal ontdekken dat het ‘loipoi-deel’ van zo’n groep (“de rest”) niet automatisch het kleinste is. Het tegendeel is eerder waar. In veruit de meeste gevallen blijkt dat ‘loipoi’ juist het grootste aantal betreft.[5]
Het is dus niet alleen voorbarig maar ook onterecht om op grond van ‘loipoi’, alsmede van de Nederlandse vertalingen (‘rest/overigen/anderen), de conclusie te trekken dat in 12.17 sprake zou zijn van slechts een ‘klein aantal’, een ‘karig overblijfsel’. Op grond van de voorbeelden bij Voetnoot 5 zouden we eerder kunnen veronderstellen dat de “rest” wel eens de grootste groep zou kunnen zijn. Maar ook dat is voorbarig. Want als we de geschiedenis van Gods ‘bruid’ in het oude en nieuwe testament nagaan, geven de aantallen van hen die God trouw waren (en bleven) daar geen aanleiding toe. Enkele voorbeelden mogen dat duidelijk maken:
- Noach en zijn gezin: zij waren de enigen die God dienden, in tegenstelling tot alle overige wereldbewoners van die tijd
- Abraham: alleen hij werd uit alle volken door God uitgekozen om de stamvader te worden van een volk dat God wél zou dienen, in tegenstelling tot alle andere heidense volken
- Juda en Benjamin: alleen deze twee stammen bleven God (aanvankelijk) trouw na de dood van koning Salomo, de tien andere gingen al gelijk over tot afgodendienst
- Jezus en het volk Israël: dit is wat de evangelist Johannes vermeldt over de trouw en ontrouw van het volk Israël aan Jezus: “Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen.” Slechts een beperkt aantal heeft Hem wel ontvangen en dit zijn de consequenties: Alleen wie in zijn naam geloven, hebben het voorrecht “kinderen van God” genoemd te worden. Alle anderen hebben zich daarvoor gediskwalificeerd door Hem niet te ontvangen maar te verwerpen
- De nauwe en ruime poort: Jezus gebruikt in zijn onderricht het beeld van een nauwe en een ruime poort. Die nauwe poort verschaft de toegang tot het leven en slechts weinigen weten die te vinden. Wie daarentegen door ruime poort naar binnen gaat, heeft daarmee gekozen voor de brede weg naar de ondergang - en er zijn velen die die deze weg volgen
- De wederkomst van Jezus: “Maar als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden op aarde?” Uit deze woorden van Jezus mogen we concluderen dat aan het einde der tijden (waarop de Openbaring betrekking heeft) er maar heel weinig mensen met (het ware) geloof zullen zijn, en dat de overgrote meerderheid dit geloof niet zal hebben.[6]
Uit deze voorbeelden uit het oude en nieuwe testament blijkt dat het aantal trouwe gelovigen in alle gevallen kleiner was dan hun ontrouwe tegenhangers (inclusief de ongelovigen). Op grond daarvan lijkt het verantwoord ervan vanuit te gaan dat dit ook het geval zal zijn met de “rest” van het nageslacht van de vrouw. Deze conclusie is dus niet gebaseerd op de betekenis van ‘loipoi’ (en de vertalingen daarvan) maar op de ervaringen van Gods volk uit het verleden.
Bruid en hoer
We moeten ons in deze context goed bewust zijn en blijven van de Bijbelse symboliek van bruid en hoer. Zoals we in het vorige hoofdstuk hebben gezien, stelt een bruid de gelovigen voor die God trouw zijn. Daarentegen is de hoer het symbool voor de mensen die God ontrouw zijn geworden. We zijn het idee van bruid en hoer overigens al eerder tegengekomen, al worden ze daar niet met dezelfde termen benoemd. Daarvoor moeten we even terug naar Hoofdstuk IX van deze studie. Daar hebben we stilgestaan bij de verzegeling (7.1-3) en de bazuinen (9.1-21). Uit de samenhang tussen deze twee bleek toen dat de groep mensen zonder Gods zegel bestond uit degenen de geboden van God overtraden. Zij bepaalden zelf hun eigen religieuze handel en wandel. Zij waren, in symbolische termen uitgedrukt, de hoer. Omdat ze niet verzegeld waren, hadden juist zij in het bijzonder te lijden onder de plagen van de vijfde en zesde bazuin.[7] Net zoals we bij de verzegeling twee tegengestelde groepen zagen (de ene mét en de andere zónder Gods zegel) zo hebben we in 12.17 een vergelijkbare situatie: de ene groep houdt zich wél aan Gods geboden (de bruid) en de andere niet (de hoer).
Al het voorgaande in ogenschouw nemend, betekent dat we uit Openbaring 12.17 de volgende conclusie mogen trekken:
Bij het thema ‘vervolging’ komt bij de overgang van Fase I naar Fase II zowel de bruid als een hoer in beeld. De hoer is dat deel van het nageslacht van de vrouw dat zich niet aan Gods geboden houdt. Zij vormen een meerderheid. De “rest van haar nageslacht” is de bruid, die zich wél aan Gods geboden houdt, en aan het getuigenis van Jezus. Zij zijn (veruit) in de minderheid.
Wat in dit alles de rol en betekenis van de hoer is, zal in het vervolg van de visioenen ongetwijfeld aan de orde komen. Intussen weet de draak, die de hele wereld misleidt, al heel goed op welke manier hij zijn woede op de vrouw gaat koelen. Hij staat er al klaar voor: “op het strand bij de zee” (12.18).
[1] https://nl.wikipedia.org/wiki/Constantijn_de_Grote (cursivering toegevoegd)
[2] https://historiek.net/constantijn-de-grote-de-eerste-christelijke-keizer/58044/#:~:text=De%20erfenis%20van%20de,zondag%20de%20rustdag%20zou%20worden (cursivering toegevoegd)
[3] “Bruid” en “vrouw” zijn in deze Bijbelse context twee verschillende woorden voor hetzelfde begrip. ‘Gods bruid’ is uiteraard een vrouw. In de loop van de gewijde geschiedenis is zijn bruid (zijn vrouw) Hem soms trouw gebleven maar veel vaker was zij ontrouw en heeft zij, figuurlijk gesproken, hoererij met andere (af)goden bedreven.
[4] In 12.17 hebben we te maken met een verbuiging (de genitief) van de meervoudsvorm ‘loipoi’
[5] Enkele voorbeelden ter illustratie daarvan vinden we in: Lukas 18.11 (de zelfgenoegzame Farizeeër versus alle andere mensen); Handelingen 28.9 (het gezin van Publius in vergelijking tot alle andere eilandbewoners); 1 Korintiërs 9.3-5 (Paulus vraagt zich af of hij niet dezelfde rechten heeft als alle andere apostelen); 1 Tessalonicenzen 4.13 (als geliefden overlijden, treuren gelovigen niet zoals alle andere mensen); Openbaring 19.21 (bij de laatste veldslag tegen het kwaad, worden van de vijandelijke machten alléén het beest en de valse profeet in de poel van vuur geworpen, alle anderen worden met het zwaard gedood). In al deze voorbeelden zijn ‘alle andere(n)’ - het ‘loipoi-deel’ - veruit het grootste in aantal. Gebruik in een Griekstalig nieuw testament de zoekterm G 3062 voor een meer gedetailleerd onderzoek naar deze betekenis van ‘loipoi’.
[6] Respectievelijk: Oude testament: Genesis 6.5-8; Genesis 12.1-3 (vgl Genesis 15.13-16); 1 Koningen 12.1-32. Nieuwe testament: Johannes 1.11-12; Matteüs 7.13-14; Lucas 18.8
[7] Voor meer details, zie Hoofdstuk IX en met name p.42