XVI SERIE B: VAN TROUW NAAR ONTROUW - COMMENTAAR (5)
De vrouw in de 4e en 5e eeuw
In Hoofdstuk XV kwamen we tot de conclusie dat de vrouw tot aan het einde van de derde eeuw nog steeds de trouwe bruid van Christus is. Dus kón zij op dat moment nog niet het christelijke element vertegenwoordigen van de macht die de draak aan het beest uit de zee overdraagt. Voordat het zover is, moet eerst een aantal ingrijpende veranderingen plaatsvinden. Dat zal dus vanaf de vierde eeuw moeten gebeuren. Van de ontwikkelingen die de kerk heeft doorgemaakt, zijn de volgende voor ons doel van belang.
A) DE VROUW: DE VERVOLGDE KERK WORDT STAATSKERK
Deze verandering vond uiteraard niet op één dag plaats, maar kwam stapsgewijze tot stand. We kunnen hierbij de volgende fasen onderscheiden.
1. De ‘katholieke kerk’
Het ontstaan van de ‘katholieke kerk’ hebben we in het vorige hoofdstuk kort toegelicht. Door zichzelf vanaf het einde van de tweede eeuw als zodanig te benoemen, wilde de kerk voortaan als georganiseerde eenheid duidelijk afstand nemen van de diverse sekten en bewegingen die allerlei dwaalleer verkondigden. De kerk bleef echter nog wel het doelwit van vervolgingen. Uiteindelijk vond de laatste zware vervolging plaats aan het begin van de vierde eeuw (303-313). Deze duurde in het westelijke deel van het Romeinse rijk korter dan in het oostelijke. Maar in 311 werd het Edict van Tolerantie uitgevaardigd.
2. De ‘erkende kerk’
Dit Edict was de eerste aanzet tot het beëindigen van de christenvervolgingen. Twee jaar later volgde het Edict van Milaan (313). Vanaf die tijd waren alle Romeinse burgers, inclusief christenen, vrij hun eigen religie te kiezen. Hiermee was een definitief einde aan de vervolgingen gekomen. Enerzijds was dat een zegen. Maar anderzijds kregen de keizers vanaf die tijd ook een flinke stem in kerkelijke aangelegenheden. Dit wordt al heel snel duidelijk uit de opstelling van Constantijn ten opzichte van de kerk:
“Constantijn zei eens tegen de bisschoppen tijdens een banket dat hij ook, als een christelijke keizer, een door God aangestelde bisschop was, een bisschop over de externe aangelegenheden van de kerk, terwijl de interne aangelegenheden aan de eigenlijke bisschoppen toebehoorden.”[1]
Hij maakte daarmee een onderscheid tussen twee niveaus van gezag: het ene seculier of keizerlijk, met betrekking tot relaties tussen kerk en staat, en het andere geestelijk of priesterlijk, van toepassing op interne kerkelijke aangelegenheden. Maar in de praktijk oefende de keizer bij dat laatste ook de nodige invloed uit. Wanneer er in de komende tijden sprake is van tegengestelde belangen, zal dat tot grote spanningen leiden tussen kerk en staat. Maar de kerk is niettemin vanaf deze tijd een erkende kerk.
3. De ‘staatskerk’
Na het Edict van Milaan vond een steeds verdergaande kerstening van het Romeinse Rijk plaats. Omdat christen-zijn nu niet langer meer levensgevaarlijk was, sloten velen zich bij de kerk aan. Daardoor werd het christendom steeds invloedrijker, zelfs in die mate dat in 380 het Edict van Thessalonica werd uitgevaardigd. Voortaan moesten alle burgers van het Romeinse Rijk hetzelfde geloof aanhangen als de bisschoppen van Rome en Alexandrië, zoals was vastgelegd in het Concilie van Nicéa (325). Alle andere christelijke geloofsovertuigingen werden beschouwd als ketterijen en hun aanhangers stonden verdrukking en vervolging te wachten. Het Edict vangt aldus aan:
”Wij bevelen. dat alle volken, waarover wij regeren, in die godsdienst leven, welke de heilige apostel Petrus aan de Romeinen heeft overgeleverd, welke overlevering tot heden voortduurt, en waarvan het bekend is, dat de bisschoppen Damasus van Rome en Petrus van Alexandrië die volgen, mannen van apostolische heiligheid: dat is, dat wij naar de apostolische tucht en evangelische leer de ene Godheid des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes in heilige Drieëenheid geloven. Wij bevelen. dat zij, die dit belijden katholieke Christenen zullen heten, en dat alle anderen de schande der ketterij zullen dragen; behalve de goddelijke wraak hebben zij de straf te wachten, welke ons besluit. door 's hemels bedoeling bestuurd, hun zal opleggen".[2]
Intolerant geworden. Wat we hier zien gebeuren, is een zeer verontrustende ontwikkeling. Intolerantie, vroeger door de heidense machthebbers gericht tegen de christenen, zal voortaan door christelijke machthebbers gericht zijn tegen christenen die zich niet conformeren aan de door de staatskerk voorgeschreven religie. Zoals het Edict vermeldt, zal de “schande der ketterij” voortaan worden beschouwd als een misdaad tegen de staat. In minder dan een eeuw is een vervolgde Kerk geworden tot een (potentieel) vervolgende Kerk. Enkele eeuwen later zullen de gevolgen van dit Edict van Thessalonica desastreus blijken te zijn voor alle christenen die erin volharden het Woord van God te gehoorzamen in plaats van zich te buigen voor de dictatuur van een dwalende kerk, een kerk die ketters straft met de staat als uitvoerende macht.
De grenzen van de kerk vielen nu samen met die van de Romeinse staat. De rol van de kerk was voortaan verbonden met de staat wat betreft het handhaven van de openbare orde en toezicht houden op de activiteiten en overtuigingen van haar burgers. De keizers hadden er veel belang bij dat er rust en eenheid in de kerk heersten want dat werkte ook bevorderend voor de eenheid van het Rijk. Bij verdeeldheid door strijd om geloofskwesties moest daarom worden ingegrepen. Dat was al vanaf Constantijn het geval. Hij riep al in 325 het voornoemde Concilie van Nicéa bijeen. Daar moesten de bisschoppen, onder zijn toeziend oog, een poging doen om enkele theologische twistpunten uit de wereld te helpen. Ook werd toen de invloedrijke geloofsbelijdenis van Nicéa geformuleerd. In de volgende eeuwen werden regelmatig concilies bijeengeroepen. Wie de uitspraken van een concilie accepteerde was ‘recht in de leer’ wie dat niet deed was ‘fout’ en werd door de meerderheid buitengesloten. Dat kon een enkele persoon zijn, maar ook een kerkgemeenschap als geheel betreffen. Je werd buitengesloten door wat de officiële Kerk was geworden, maar óók door de staat die die Kerk steunde. De kerk mocht dus nog wel beslissen inzake geloofsconflicten, maar wel onder keizerlijk toezicht en controle. De dreiging van intolerantie was dus voortdurend aanwezig.
B) DE VROUW: DE TROUWE BRUID WORDT ONTROUWE HOER
De hierboven geschetste verandering van de status van de kerk had ingrijpende gevolgen. Als we ‘de levensloop’ van de vrouw in de vierde en vijfde eeuw volgen, constateren we dat haar geestelijk leven in de opeenvolgende fasen een onmiskenbaar sterke neerwaartse beweging te zien geeft.
1. De vrouw als ‘katholieke kerk’: trouwe bruid, maar niet zonder ‘vlek of rimpel’
In het vorige hoofdstuk hebben we stilgestaan bij het ideaal dat Jezus en de apostelen voor ogen stond wat betreft het geestelijke leven van de kerk. We hebben toen al vastgesteld dat dit ideaal lang niet gehaald werd. Maar ondanks vallen en opstaan, was de kerk na drie eeuwen Hem nog altijd zodanig trouw dat Hij haar als zijn bruid beschouwde. Tot het Concilie van Nicéa was zij niet op het aardse gericht maar op de komst van het koninkrijk van de hemel, dat Jezus en Johannes hadden aangekondigd. Het vooruitzicht van dit koninkrijk stelde hen in staat verdrukking en vervolging met heldenmoed te ondergaan en de dood onbevreesd in de ogen te zien, in de hoop van de opstanding. Niettemin waren er reeds in deze periode al veel kerkleden die niet meer dan in naam christen waren. Bisschop Kallistus van Rome (217-222) erkent dat ook wanneer hij stilstaat bij de gelijkenis van Jezus over de tarwe en het onkruid. Daarbij maakt hij de veelbetekenende opmerking dat er ook al in de tijd van Noach “reine en onreine dieren” in de ark waren.[3] Het zou ons dus niet moeten verbazen dat dit ook bij de kerk het geval is. In de vierde en vijfde eeuw wordt dat beeld alleen maar drastisch versterkt.
2. De vrouw als ‘erkende kerk’: moreel bergafwaarts
Nadat de kerk met het Edict van Milaan (313) tot erkende kerk is verklaard, gaat het al vrij snel bergafwaarts met de geestelijke gesteldheid van de gelovigen. Het is niet langer meer met gevaar voor eigen leven dat men tot de kerk toetreedt. Nu de keizer een belangrijke rol gaat spelen bij de leer en het leven van de kerk, doet een sociaal opportunisme zijn intrede. Het wordt aantrekkelijk en zelfs eervol tot de kerk te behoren waartoe ook de keizer behoort.
“Vroeger was het christen-worden een daad van moed, nu werd het voor velen een zaak van berekening. De weg naar eer en hoge ambten ging niet meer langs het keizeraltaar maar langs de doopvont. De kerk wilde de stroom van nieuwe leden niet weigeren, maar ze kon hen ook niet op slag bekeren. Integendeel: wanneer de wereld kerks wordt, betekent dit dat de kerk werelds wordt….. Alles te zamen genomen heeft bij de verbroedering van kerk en wereld de laatste zich krachtiger getoond dan de eerste.”[4]
Onder deze nieuwe categorie gelovigen bevinden zich dus veel onbekeerde heidenen. Het is onvermijdelijk dat dit een grote en negatieve invloed heeft op het geestelijke leven van de kerk. Dit blijkt ook uit bijvoorbeeld dit citaat:
“De aanzienlijken bleven als vroeger in wellusten leven, de volksklasse genoot van uitdelingen en vermaken, liever dan te arbeiden, de heidense gebruiken bij bruiloften en begrafenissen bleven bestaan. De wetten tegen de gladiatorengevechten werkten niets uit, wagenrennen en weddenschappen duurden voort. Grove en tegennatuurlijke zonden waren niet zeldzaam in de christelijke gemeenten. Strenge boeteprediking der kerkleraars scheen er weinig tegen te vermogen, en door de grote aanwas der gemeenten kon de tucht ook niet meer zijn, wat zij vroeger geweest was.”[5]
Behalve zedelijk gedrag dat niet aan de christelijke norm voldeed, nam de kerk ook verschillende heidense gebruiken over. De manier waarop heidenen voorheen uitdrukking aan hun geloof gaven, bleef ‘vermomd als christelijk’ in de kerk voortleven. Enkele voorbeelden hiervan zijn:
- afgoden, halfgoden, geesten en hun feesten, werden door heiligenverering vervangen
- heidense processies met gezang, banieren en afgodsbeelden werden gekerstend
- in plaats van de reine, maagdelijke godin Athene werd nu de maagd Maria vereerd en aanbeden
- beeldendienst werd “ondoordacht en door heidense gewoonten” ingevoerd
- omstreeks 350 kwam het kerstfeest in beeld als tegenwicht van het feest van de Perzische zonnegod Mithras[6]
- in het licht van de Openbaring is de meest ingrijpende kerstening die van de eerste dag van de week. Deze dag, gewijd aan de wijdverbreide verering van de ‘onoverwinnelijke zon’ (Sol Invictus’), wordt nu op last van Constantijn de officiële rustdag van het Romeinse Rijk. Dit is een rechtstreekse ondermijning van de rustdag die God al bij de schepping had ingesteld als gedenkdag aan zijn scheppingswerk. De ‘christelijke vermomming’ van deze verandering is dat Jezus, het Licht van de wereld, de Zon der gerechtigheid, op deze dag is opgestaan.
Zo werden dus geleidelijk aan een aantal gewoonten vanuit het heidendom vervangen door ‘christelijke’ vieringen, processies, feestdagen en heilige dagen (inclusief de wekelijkse rustdag).
In de gecompliceerde wereld die sinds keizer Constantijn in de ‘erkende kerk’ was ontstaan, konden uitwassen plaatsvinden die in de tijden van de apostolische en katholieke kerk ondenkbaar geweest zouden zijn. Bijvoorbeeld, toen paus Liberius in 366 overleed, brak er letterlijk een hevige en bloedige strijd uit tussen de aanhangers van Ursinus en Damasus. Zij waren de twee potentiële opvolgers van de overleden kerkvorst.
“Na vele straatgevechten sloten de volgelingen van Ursinus zich in de Maria-basiliek op, ook bekend als 'Onze Lieve Vrouwe van de Sneeuw'. De aanhangers van Damasus klommen op het dak, maakten er een gat in en begonnen de mensen in de Kerk met tegels en stenen te bombarderen. Intussen probeerden anderen de hoofddeuren te forceren. Toen deze eindelijk bezweken, werd er drie dagen lang bloedig gestreden. Uiteindelijk werden er 137 doden naar buiten gedragen, zonder uitzondering volgelingen van Ursinus.…. Door de vertegenwoordiger van de keizer werd Ursinus verbannen, maar de gruwel in de Maria-basiliek was een niet uit te wissen schandvlek op Damasus' blazoen. Om dit te compenseren, legde hij grote nadruk ‘op zijn spirituele gezag als opvolger van de H. Petrus' - een aanspraak die, zoals reeds werd opgemerkt, niet door de kerkvaders wordt gestaafd. 'Pas in de tijd van Damasus, in 382, begon de bijbeltekst "Gij zijt Petrus" belangrijk te worden, als een theologische en bijbelse pijler onder de aanspraken op het primaatschap (van de bisschop van Rome).”[7]
3. De vrouw als ‘staatskerk’: van kwaad tot erger
Waar we eerst te maken hadden met Rome als vervolger van de kerk, was Rome nu haar verdediger geworden. Kerk en staat raakten geleidelijk aan steeds verder met elkaar verstrengeld. De grenzen van de kerk vielen voortaan samen met die van het Romeinse Rijk. Bij het handhaven van de openbare orde was de rol van de kerk nauw verbonden met die van de staat. Daaronder viel ook het toezien op de activiteiten en overtuigingen van de burgers.
“Tegen wil en dank, maar zonder al te veel protest werden bisschoppen meer en meer een soort ambtenaren, omdat hun Kerk werd omarmd door de macht van het rijk. Nog geen eeuw eerder was een van de vele aanklachten tegen bisschop Paulus van Samosata geweest dat hij op zijn troon zat alsof hij 'de wereldheerser' was. Nu was dat gewoon voor alle bisschoppen.”[8]
Maar helaas bracht de verbintenis tussen kerk en staat ook met zich mee dat de keizer in toenemende mate voor een aanzienlijk deel de gang van zaken binnen de kerk bepaalde. Dat was ten tijde van Constantijn al binnen de ‘erkende kerk’ begonnen, maar werd bij de staatskerk alleen maar erger.
“De macht van de keizer in de kerk werd hoe langer hoe groter. De keizer oefende het hoogste wetgevende gezag in kerkelijke zaken uit, beïnvloedde de keuze der bisschoppen, of benoemde en ontsloeg hen ook wel zelf, en tegen over uitspraken van de bisschop kon men zich in hoogste instantie op de keizer beroepen. De bisschoppen riepen de provinciale of plaatselijke synoden bijeen, maar haar besluiten hadden geen rechtskracht. Anders de oecumenische synoden of conciliën. Dezen werden door de keizer bijeengeroepen, geleid en gesloten, hetzij door hem persoonlijk, hetzij door zijn commissarissen, die steeds aanwezig moesten zijn. De hier genomen besluiten werden door het keizerlijk gezag rechtsgeldig en, zo nodig, met behulp der staatsmacht uitgevoerd.”[9]
Nog eeuwenlang zal er sprake zijn van een machtsstrijd tussen de staat en de kerkelijke
autoriteiten. Als we hierbij bedenken dat Jezus zei dat Zijn koninkrijk niet van deze wereld is, en dat Hij niet gekomen was om te heersen maar om te dienen, laat het zich gemakkelijk raden dat de ontstane situatie een desastreuze uitwerking had op het geestelijke leven van de kerk.
C) DE VROUW: ALS HOER IDENTIEK AAN HET PAUSELIJKE ROME
We moeten nu stilstaan bij een ontwikkeling die van cruciaal belang is in de context van het voorgaande. Reeds vanaf de tijd van de oude ‘katholieke kerk’ hebben de bisschoppen van Rome getracht hun invloed in toenemende mate te doen gelden. Door een aantal politieke en religieuze ontwikkelingen zouden ze daar steeds beter in slagen. In het West-Romeinse Rijk zal dit er uiteindelijk toe leiden dat de ‘rooms-katholieke’ variant van het christendom ‘het gezicht’ van de kerk wordt. Voor kenners van de Schrift en van de kerkgeschiedenis komt dit niet geheel onverwachts.
Profetische focus: gericht op het West-Romeinse Rijk
Hoe boeiend de algemene geschiedenis van het christendom ook is, voor de uitleg van ‘het beest uit de zee’ moeten we ons concentreren op de ontwikkelingen die in het West-Romeinse Rijk plaatsvinden. De reden daarvoor is dat in het profetische Woord de focus verschuift van het Romeinse Rijk als geheel naar het westelijke deel.
Deze verschuiving valt af te leiden uit de profetie van Daniël 2. Daarin wordt het nog onverdeelde Romeinse Rijk gesymboliseerd door de ‘ijzersterke benen’ van het beeld. Deze gaan echter over in de voeten die bestaan uit een onsamenhangend mengsel van ijzer en leem. Daarmee wordt het verdeelde en verzwakte West-Romeinse Rijk van ná de val van Rome verbeeld. Het is in deze fase dat de macht, het gezag en de invloed van de pausen mettertijd een ongekende hoogte zal bereiken. De met Daniël 2 parallel lopende profetie uit Daniël 7 leidt tot dezelfde gevolgtrekking. Het vierde dier verschijnt chronologisch gezien ten tijde van de ijzeren benen van het beeld, en de kleine horen ten tijde van de voeten. Aangezien de kleine horen en het beest uit de zee één en dezelfde macht voorstellen, verschijnt het beest uit zee dus ook volgens Daniël 7 ná de val van het West-Romeinse Rijk, in het tijdperk van het verzwakte en verdeelde Rijk.[10]
Geschiedkundige bevestiging van het profetische Woord. Geschiedkundige bronnen bevestigen de val van Rome, met als gevolg een uiteengevallen, verdeeld West-Romeins Rijk én de daaropvolgende machtsovername door het pausdom. Er is geen enkele geschiedkundige aanwijzing dat de profetieën van Daniël 2 en Daniël 7 op het Oost-Romeinse Rijk betrekking zouden kunnen hebben.
Ontwikkeling van het pausdom[11]
In de vierde eeuw verbreidde het christendom zich wijd en zijd. Ten tijde van het Edict van Milaan (313) was waarschijnlijk nog niet meer dan 10% van de bevolking van het Romeinse Rijk christen, maar veertig jaar later was dat al ongeveer de helft. Bij de dood van Theodosius I (395) werd het Romeinse Rijk definitief gesplitst in het West-Romeinse Rijk met hoofdstad Rome, en het Oost-Romeinse Rijk met hoofdstad Constantinopel. Parallel hieraan zou zich de komende eeuwen ook een splitsing ontwikkelen tussen westers christendom (onder het gezag van de pausen) en oosters christendom (grotendeels onder het gezag van de keizers).[12]
Om een beknopt overzicht van het ontstaan en de toenemende macht van het pausdom te kunnen geven, moeten we nu stilstaan bij enkele belangrijke momenten uit de kerkgeschiedenis, vanaf het begin van de kerk tot aan het einde van de vijfde eeuw.
1. De status van het pausdom van ± 33 - 313
In het prille begin van de kerkgeschiedenis nam Jeruzalem een belangrijke plaats in. Daar had Jezus zijn boodschap van het komende koninkrijk van God verkondigd, was hij gekruisigd, maar ook opgestaan. Vanuit Jeruzalem waren zijn leerlingen erop uitgetrokken om het evangelie te verkondigen in ‘de hele wereld’, waaronder ook Rome. In deze beginfase genoot Rome een goede reputatie onder de christenen. Maar we zagen al in een eerder hoofdstuk dat bisschop Clemens aan het einde van de eerste eeuw zich een zekere mate van gezag aanmatigde door de gelovigen in Korinte terecht te wijzen. De neiging van de bisschop van Rome om een leiderschapsrol op te eisen werd in de loop der jaren alleen maar sterker.
Een aantal factoren droeg ertoe bij dat de bisschop van Rome een steeds belangrijker plaats binnen de christenheid ging innemen. De kerkelijke gemeenschap in Rome werd reeds in het beginstadium van het christendom gesticht, en al vrij snel nadrukkelijk met de apostelen Paulus en Petrus geassocieerd. In feite was Rome de enige ‘apostolische moederkerk’ in heel het Westen. Ook had de gemeente zich succesvol hersteld van de vreselijke vervolging door keizer Nero. En bepaald niet de geringste factor: Rome was de hoofdstad van het machtige Romeinse Rijk. De glorie van het keizerlijke gezag straalde ook af op de plaatselijke bisschop. Het Rijk dat de wereld met het zwaard had geregeerd, zou in de toekomst door de pauselijke macht met de scepter van het kruis worden geregeerd, hoe misvormd het christelijke karakter van die scepter ook zou worden. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat er al vroeg tegen de bisschoppen van Rome werd opgezien en dat zij dienovereenkomstig optraden met een air van gezag die ver buiten de grenzen van hun bisdom reikte.[13] Maar van pauselijke heerschappij kunnen we vooralsnog niet spreken.
2. De status van het pausdom van 313 - 380
Een belangrijke daad van Constantijn, met verstrekkende gevolgen, was dat hij in 324 een nieuwe hoofdstad voor zijn rijk stichtte. Die beslissing zou hem door God zijn ingegeven. De westelijke hoofdstad bleef in Rome terwijl in het oosten Byzantium, het ‘Nieuwe Rome’, de hoofdstad werd. Later werd de naam veranderd in Constantinopel. Een interessante bijkomstigheid is dat de nieuwe hoofdstad, net als Rome, ook gebouwd is op zeven heuvels. In de stad kwam onder andere een beeld te staan van de ‘christelijke keizer’ Constantijn, in de kleding van Apollo met een scepter in de ene hand en een wereldbol in de andere.
Rivaliteit tussen Rome en Constantinopel. Vanzelfsprekend verleende de residentie van de keizer groot aanzien aan de nieuwe hoofdstad en ook het prestige van de Byzantijnse bisschop nam daardoor sterk toe. Zijn aanzien en gezag overtrof weldra die van alle andere oosterse patriarchen. Bovendien werd hij nu de belangrijkste rivaal van de bisschop van Rome. Maar Rome bleef niettemin aanspraak maken op ‘het pausschap’. Hoewel een echt oppergezag van de bisschoppen van Rome ook nu nog niet bestond, slaagden zij er wel in hun aanzien en macht steeds verder te vermeerderen. Zo verdedigden ze meestal de rechtzinnigheid, werkten samen met de gezaghebbende bisschoppen van Alexandrië, waren onafhankelijker van het hof, doordat dit in het verafgelegen Constantinopel resideerde, profiteerden daardoor van hun verblijf in de oude wereldhoofdstad, wisten bekwame politiek uit te oefenen, en beriepen zich op de traditie dat zij gezeten zouden zijn op “de stoel van Petrus". In deze fase waren de pausen Julius (337-352) en Damasus (366-384) krachtige figuren.[14]
3. De status van het pausdom van 380 - 476
In het jaar 381 riep keizer Theodosius I het eerste Concilie van Constantinopel bijeen. Het zij hier vermeld dat geen enkele westerse bisschop aan dit concilie deelnam, ook paus Damasus had geen afgevaardigden gestuurd. Op het concilie werd de voorrang van de bisschoppen van Antiochië, Alexandrië en Rome boven alle andere patriarchen bevestigd. Maar nu werd óók verklaard dat de bisschop van Constantinopel in rang gelijk was aan die van Rome. Dat had uiteraard te maken met het feit dat Constantinopel nu de hoofdstad was van het Oost-Romeinse Rijk. Vanzelfsprekend lokte dit besluit een hevige reactie vanuit Rome uit. Daaruit blijkt dat paus Damasus zich al groot gezag aanmatigde want hij schroomde niet over dit besluit ten aanzien van de bisschop van Constantinopel heftig tegen de keizer in te gaan:
“Die voorrang [van Rome] zo donderde hij, was geenszins te danken aan het feit dat Rome de voormalige hoofdstad van het rijk was geweest: dat primaat was namelijk uitsluitend gestoeld op de apostolische stamboom die terugging op Petrus en Paulus. En Constantinopel behoorde zelfs niet op de tweede plaats te komen, want het was nog niet eens een patriarchaat, terwijl zowel Alexandrië als Antiochië de voorrang diende te genieten, de eerste stad omdat de kerk daar volgens de traditie was gesticht door de heilige Lukas, op instigatie van Petrus, de tweede omdat Petrus daar de eerste bisschop was geweest, voor hij naar Rome ging.”[15]
Zwakkere keizers - sterkere pausen. Vanaf het einde van de vierde eeuw werd het West-Romeinse Rijk geregeerd door een aantal opeenvolgende zwakke en onbekwame keizers. Onder deze omstandigheden konden de bisschoppen van Rome hun invloed gemakkelijk uitbreiden. Zo konden ze een bijna ‘koninklijke positie’ van overheersing verwerven. De keizer had hen vrijstelling van belasting geschonken en jurisdictie verleend in zaken van geloof en burgerlijk recht. Mede daardoor werd hun gezag in de loop van de jaren steeds verder uitgebouwd. Bisschop Damasus maakte bewust gebruik van de uitspraak van Christus in het evangelie van Matteüs[16] om zijn machtsaanspraken te onderbouwen en een 'apostolische' zetel op te eisen. Zijn opvolger, bisschop Siricius (384-399), nam als eerste de titel 'paus' aan. Paus Innocentius I (401-417) drong erop aan dat alle belangrijke zaken die op de synodes ter tafel kwamen eerst aan hemzelf zouden worden voorgelegd zodat hij het definitieve besluit kon nemen.
De kerkvader Augustinus (354-430) sprak met groot respect over de bisschop van Rome. Hij aarzelde niet zichzelf en zijn medebisschoppen aan te duiden als ‘een smalle beek’ in vergelijking met ‘de rijke bron’ die de bisschop van Rome was. Maar dit betekende nog niet dat Augustinus hem erkende als de hoogste instantie om geschillen op te lossen. Hij stemde blijkbaar in met de gangbare wijze van het afhandelen van klachten:
“Eventuele klachten tegen bisschoppen moest men indienen bij de primas der desbetreffende provincie en vervolgens bij het concilie, dat jaarlijks in Carthago vergaderde. In de strijd tegen het Donatistische schisma is de beslissing geheel buiten de bisschop van Rome om tot stand gekomen. Wel heeft men het noodzakelijk geacht op de hulp des keizers een beroep te doen, doch om een uitspraak van Rome heeft men niet gevraagd. Ja, in strijd met de door Rome als juist erkende gedragslijn, heeft men er geen bezwaar in gezien Donatistische geestelijken, bij hun overgang tot de katholieke kerk, in hun ambt te handhaven.”[17]
Uit deze wijze van handelen blijkt opnieuw dat de keizers grote invloed uitoefenden op de gang van zaken binnen de kerk en dat de pausen voortdurend strijd moesten leveren om hun positie verder te verstevigen.
Pontifex maximus. In 440 besteeg paus Leo I (440-461) de pauselijke troon. Hij was de eerste bisschop van Rome die besloot de titel van ‘pontifex maximus’ (hoogste priester)te voeren. Oorspronkelijk was dit de titel van de heidense opperpriesters. Vanaf keizer Augustus was deze titel echter aan de keizer voorbehouden.[18] Dit besluit van paus Leo geeft ons inzicht in wat toen reeds de pauselijke aspiraties waren. Hij zette zich met veel ijver in om het oppergezag van Rome nog verder te realiseren. Het inmiddels verworven pauselijke gezag blijkt onder andere uit dit voorval. Toen de bisschop van Arles in 445 probeerde zich onafhankelijk van paus Leo I op te stellen, wist deze paus keizer Valentinus III ertoe te bewegen een edict uit te vaardigen waarin werd bepaald dat alle bisschoppen in de Westerse provincies zich aan het gezag van de bisschop van Rome dienden te onderwerpen. Wie meende zich daaraan te kunnen onttrekken, riskeerde door de staat te worden bestraft.[19]
De boodschap die Leo I uitdroeg, luidde dat pauselijk gezag het gezag van de heilige Petrus zelf was, ook al was een paus slechts ‘de onwaardige woordvoerder van Petrus’. Heel de westelijke wereld moest weten en erkennen dat hij - en hij alleen - de hoeder was van de ware leer. Hij probeerde die boodschap ook in het oosten ingang te doen vinden maar, zoals bekend, vond hij daar in de keizer een geduchte concurrent. Die behield daar zelf het oppergezag, hoogstens bijgestaan door een oecumenisch concilie, dat alleen hij bijeen kon roepen. Dit zogenaamde Caesaro-papisme, het gezag dat de Byzantijnse keizers vanaf 330 over de kerken van het oosterse christendom hadden, zou nog tot in de tiende eeuw bestaan. Niettemin was het de Byzantijnse keizer Theodosius II die in een brief aan paus Leo I (in 450) de bisschop van Rome als eerste ‘de patriarch van het Westen’ noemde.
Het aanmatigende gedrag van het pausdom zou vaak leiden tot hevige conflicten met de leiders van de kerk in het oosten. Zo liep in het jaar 483/484 de ruzie over een theologische geschil zo hoog op dat paus Felix II de patriarchen van Antiochië, Alexandrië en Constantinopel excommuniceerde. Dit veroorzaakte een schisma tussen oost en west dat duurde tot 519.[20] Daarna volgden nog talrijke hevige conflicten en uiteindelijk leidde dat, onder het uitspreken van wederzijdse banvloeken, in 1054 tot het Grote Schisma. Deze eeuwenlange breuk tussen de kerken van het oosten en de Rooms-katholieke kerk van het westen zou nog duren tot het tweede Vaticaans Concilie (1962-1965).[21]
Afgezien van wat verder nog allemaal over de relatie van de pausen met het oosten gezegd zou kunnen worden, uit het voorgaande blijkt dat in de loop der jaren het gezag van de bisschoppen van Rome was uitgegroeid tot een krachtig en invloedrijk pausschap.
4. Het pausdom: ‘het gezicht’ van het christendom
Zoals we hierboven hebben geconstateerd, was het gezag dat de pausen zich in de vijfde eeuw gaandeweg hadden toegeëigend al van dien aard geworden dat zij aanspraak maakten op ‘universeel geestelijke gezag’ over heel de kerk. Vanzelfsprekend ondervond die aanspraak voortdurend protest en tegenstand vanuit het Oosten. Niettemin heeft de ‘rooms-katholieke’ variant van de ‘universele kerk’ zich in de loop der eeuwen onder leiding van het pausdom weten te ontwikkelen tot ‘het gezicht’ van het christendom in heel de wereld.
De val van Rome: tijd voor het verschijnen van het beest uit de zee
In het jaar 452 had paus Leo I Rome nog weten te redden uit de handen van Attila de Hun. Maar toen in 476 de Germaanse legeraanvoerder Odoaker voor de muren van de stad stond, was het einde van het West-Romeinse Rijk aangebroken. De jonge keizer Romulus Augustulus werd afgezet en Odoaker benoemde zichzelf tot koning van Italië. Wat van ‘Romeins gezag’ nog intact bleef, was het pauselijke Rome, want dat bleek wél bestand tegen alle barbaars geweld. Het West-Romeinse Rijk viel nu uiteen in een aantal Germaanse staten van verschillende grootte en belangrijkheid. In theorie erkenden ze de Oost-Romeinse keizer als het hoogste gezag, maar in de praktijk gingen ze hun eigen gang.
In een vorig hoofdstuk hebben we al vastgesteld dat het beest uit de zee pas op het apocalyptische toneel zou verschijnen ná de val van Rome. Dat laatste is inmiddels een feit. Nu is de tijd nabij gekomen dat deze politiek-christelijke macht ‘de rest’ van het nageslacht van de vrouw meedogenloos zal gaan vervolgen.
D) KORTE TERUGBLIK EN EINDCONCLUSIE
Terugblik
In de Hoofdstukken XII en XIII hebben we stap voorstap de identiteit vastgesteld van onder andere de vrouw, de rest van haar nageslacht en die van de hoer. Vanaf Hoofdstuk XIV hebben we ons vrij uitvoerig verdiept in de aard en identiteit van het beest uit de zee. Om het geheugen op te frissen, laten we hier een korte samenvatting volgen van de hoofdstukken XIV, XV en XVI.
Hoofdstuk XIV. Uit de profetieën van Daniël 2 en Daniël 7 kon worden afgeleid dat het beest uit de zee zou verschijnen ná de val van Rome in het jaar 476. In dat hoofdstuk kwamen we tot de conclusie dat het voornoemde beest een politiek-christelijke macht symboliseert. Deze macht zal de trouwe ”rest” van het nageslacht van de vrouw gaan vervolgen.
Hoofdstuk XV. Dat een christelijke macht medegelovigen gaat vervolgen, kan alleen maar als deze macht éérst van God afvallig is geworden. Uit de geschiedenis blijkt dat de kerk aan het einde van de 3e eeuw nog steeds de trouwe bruid van Christus is. God schonk haar toen de mogelijkheid naar de woestijn te vluchten, waar ze niet langer meer aan vervolging blootgesteld is.
Hoofdstuk XVI. In de 4e en 5e eeuw wordt de voorheen vervolgde kerk eerst een erkende kerk en daarna zelfs de staatskerk. Als gevolg hiervan raakt de bruid van Christus steeds verder verwijderd van het ideaal dat Hij voor haar had. Zijn aanvankelijk trouwe bruid verandert geleidelijk aan in een afvallige hoer. Deze hoer wordt de belichaming van zowel de politieke als de religieuze macht van het beest waarop de hoer is gezeten. In dezelfde periode ontwikkelt het pausdom zich tot een afvallige politiek-religieuze macht. Deze onmiskenbare parallel tussen de hoer en het pausdom leidt tot de volgende eindconclusie van dit hoofdstuk.
Eindconclusie
In symbolische taal uitgedrukt is het christendom, de trouwe bruid van Christus, in de loop van de 4e en 5e eeuw een ontrouwe hoer geworden. Als politiek én afvallig christelijk instituut is het pausdom de enige macht binnen het christendom die kwalificeert als vervulling van de symbolische ‘hoer op het beest’, zoals we die in de visioenen van Johannes tegenkomen.
Tot slot: verificatie van deze conclusie in het volgende hoofdstuk
Deze eindconclusie is zorgvuldig tot stand gekomen. Maar de impact ervan is zo ingrijpend, en lijkt zo tegenstrijdig met de wijze waarop het pausdom zich in onze dagen manifesteert, dat we die conclusie in het volgende hoofdstuk nog eens tegen het licht zullen houden om te verifiëren of hij ook dan nog stand houdt.
[1] Schaff, volume III, p.115
[2] Itterzon en Nauta (redactie), deel 2, p.59 (auteur: Dr. F.W.C. Schulte)
[3] Walker, p. 94
[4] Berkhof en De Jong, p.58, 59
[5] Itterzon en Nauta (redactie), deel 2, p.44 (auteur: Dr. F.W.C. Schulte)
[6] Idem, deel 2, p. 45-47
[7] De Rosa, p.52
[8] MacCullogh, p.190
[9] Itterzon en Nauta (redactie), deel 2, p.41 (auteur: Dr. F.W.C. Schulte); Walker, p.106
[10] Voor een uitgebreidere bespreking van dit onderwerp, zie Hoofdstuk XIV
[11] Het woord 'paus' is afgeleid van een Grieks woord dat 'vader' betekent. De vroegste vermelding van het gebruik van 'paus' als titel was met betrekking tot de patriarch van Alexandrië, Heraclas (232-248). In de eerste eeuwen van het christendom werd deze titel vooral in het Oosten toegepast op alle bisschoppen en andere hooggeplaatste geestelijken. Later werd de titel in het Westen - vanaf het bewind van paus Leo I (440-461) - voorbehouden aan de bisschop van Rome. In Rooms-katholieke kringen wordt de titel van ’paus’ toegekend aan alle bisschoppen van Rome, vanaf de eerste tot aan de huidige.
[12] https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_het_christendom#Het_christendom_in_de_laat-Romeinse_tijd_(circa_300-500)
[13] Schaff, vol.II, pp.148-154
[14] Itterzon en Nauta (redactie), deel 2, p.42-43 (auteur: Dr. F.W.C. Schulte)
[15] Norwich, p.32
[16] Matteüs 16.17-19 (Petrus als de rots waarop de kerk is gebouwd en als sleutelbewaarder van Gods rijk)
[17] Itterzon en Nauta (redactie), deel 2, p.121 (auteur: Dr. F.W.C. Schulte)
[18] https://nl.wikipedia.org/wiki/Pontifex_maximus
[19] Owen Chadwick (general editor) vol.1, p.242 (auteur: Henry Chadwick); zie ook Walker, p.124
[20] https://nl.wikipedia.org/wiki/Paus_Felix_II_(III)
[21] https://historiek.net/oosters-schisma-groot-schisma-kerkscheuring/75798/