XV SERIE B: TROUW OF ONTROUW? - COMMENTAAR (4)
De vrouw in de eerste drie eeuwen
Aan het einde van het vorige hoofdstuk kwamen we tot de conclusie dat het beest uit de zee een christelijk-politieke macht vertegenwoordigt. Dat dit beest dan juist christenen zal gaan vervolgen, roept vragen op. Bijvoorbeeld, wat is dat christelijke aspect nu precies, en waarom wordt alleen een bepaalde “rest” van haar nageslacht vervolgd? Om een antwoord op dergelijke vragen te vinden, zullen we in dit hoofdstuk onderzoek doen naar ´de levensloop´ van de vrouw in de eerste drie eeuwen. Hoe heeft zij zich in die periode ontwikkeld? In het volgende hoofdstuk zullen we dan stilstaan bij wat daarna gebeurde.
Het christelijke aspect van de macht die het beest van de draak ontvangt, is uiteraard gerelateerd aan de vrouw, de gemeenschap van christenen, ofwel de kerk. Zolang zij trouw aan God is, beschouwt Hij haar als zijn bruid, en zal zij dus niet in dienst van het beest kunnen staan. Maar als zij Hem ontrouw wordt, vergelijkt Hij haar met een hoer. En die kan wél worden gebruikt om de doeleinden van de Boze te realiseren - en dus ook die van het beest, aangezien hij in deze situatie Satans handlanger is.
De kernvraag
Als we nu de hierboven gestelde vraag wat specifieker formuleren, luidt deze: In hoeverre is de vrouw in de eerste drie eeuwen trouw aan God gebleven - óf is ze Hem ontrouw geworden? Met andere woorden: is de bruid ook bruid gebleven óf is zij een hoer geworden?
Trouw zijn: Jezus stelt de norm
De vrouw in Openbaring 12 symboliseert de gelovigen, de burgers van het koninkrijk van de hemel, waarover Jezus vaak sprak. Aan dat burgerschap zijn strikte voorwaarden verbonden. Volgens Hem kan niemand er binnengaan als hij niet ‘opnieuw geboren’ wordt.[1] In de Bergrede noemt Jezus een aantal kenmerkende eigenschappen van deze burgers van Gods rijk. De strekking van alles wat Hij zijn toehoorders heeft voorgehouden is deze: “Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.”[2]
De norm verder toegelicht. De apostelen hebben na de hemelvaart van Jezus het bewustzijn bij de gelovigen in stand gehouden dat ze een hoge roeping hebben, en dienovereenkomstig behoren te leven. Jakobus herinnert hen eraan dat "volmaakt en volkomen zijn, zonder enige tekortkoming" het ideaal is wat ze moeten nastreven. Paulus roept de gelovigen op de weg van de liefde te gaan die Christus hen heeft voorgeleefd. Hij wil hen reinigen om ze straks in alle luister bij zich te nemen “zonder vlek of rimpel of iets dergelijks”. Petrus wijst erop dat ze een heilig leven behoren te leiden. “Wees heilig, want Ik ben heilig”, dat is Gods bedoeling. Ze moeten deel krijgen “aan de goddelijke natuur”. Ook Johannes spoort hen aan Jezus in alles te volgen: “Wie zegt in Hem te blijven, behoort in de voetsporen van Jezus te treden.” Dat doen we door ons aan zijn geboden te houden. “Wie zegt: ‘Ik ken Hem,’ maar zich niet aan zijn geboden houdt, is een leugenaar; de waarheid is niet in hem.” Door Gods geboden te houden, geven we vorm aan onze liefde voor Hem: “Want God liefhebben houdt in dat we ons aan zijn geboden houden.”[3]
De norm samengevat:
- De gelovigen moeten ernaar streven volmaakt te zijn, net als hun hemelse Vader
- Daartoe moeten ze opnieuw geboren worden, om in de voetsporen van Jezus te kunnen treden
- Jezus heiligt hen, zodat ze ten slotte zonder morele vlek of rimpel voor Hem kunnen verschijnen
- Door hun verbondenheid met Jezus krijgen ze deel aan de goddelijke natuur.
- Een waar kind van God gelooft in Jezus als Gods zoon, en houdt zich aan de geboden van God.
- Ware gelovigen houden Gods geboden omdat ze God liefhebben boven alles.
Het voorbeeld van Jezus volgen
De boodschap waarmee Jezus zijn openbaar dienstwerk begon, luidde: “De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.”[4] Om dat koninkrijk te kunnen oprichten, moest Hij door lijden en sterven heen de wereld heroveren op de “overste van deze wereld”. Die probeerde Hem te verleiden daartoe de gemakkelijkste weg te kiezen: “Hij toonde Hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht en zei: ‘Dit alles zal ik U geven als U voor mij neervalt en mij aanbidt.’” Dat zou echter het sluiten van een compromis met de duivel zijn geweest. Daarom antwoordde Jezus hem dat er geschreven staat: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen Hem.” [5] Voor Jezus was de Schrift zijn enige uitgangspunt en daarmee had Hij ook het enige doeltreffende argument tegen dit verleidelijke alternatief van Satan.
In het licht van deze ervaring van Jezus begrijpen we ook waarom Hij zijn leerlingen leerde bidden dat God hen beproevingen zou besparen en hen uit de greep van het kwade zou verlossen.[6] Dit gebed is en blijft voor de gelovigen door de eeuwen heen noodzakelijk, want net zomin als de duivel Jezus niet met rust liet, zal hij ook de gelovigen niet met rust laten. Daarom waarschuwde de apostel Petrus ook: “Wees waakzaam, wees op uw hoede, want uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi.”[7] Ook in de Openbaring worden de gelovigen gewezen op “de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt” (12.9). De kerk, de gelovigen zijn nadrukkelijk gewaarschuwd: de vrouw moet dus steeds op haar hoede zijn.
Ideaal en werkelijkheid
We keren nu terug naar de vraag die we aan het begin van dit hoofdstuk stelden: Zal de vrouw in de eerste drie eeuwen Gods trouwe bruid zijn en blijven óf zal zij een ontrouwe hoer worden? Zal zij proberen aan Jezus’ norm te voldoen, zijn ideaal na te streven - of zal de werkelijkheid een ander beeld te zien geven? We zullen hieronder op zoek gaan naar Bijbelse en geschiedkundige gegevens waarmee we deze fundamentele vraag over trouw of ontrouw kunnen beantwoorden.
DE VROUW: DE KERK IN DE 1e EEUW
Dankzij het nieuwe testament kunnen we ons een beeld vormen van ‘de vrouw’ uit de 1e eeuw. Hoewel er aanvankelijk vooral joden tot het geloof kwamen, veranderde dat al vrij snel in een meerderheid van gelovigen van heidense oorsprong. Dat had vanzelfsprekend invloed op de zuiverheid van de leer en het leven van de kerkelijke gemeenschap. De volgende selectie van terechtwijzingen, vermaningen en instructies is weliswaar zeer beknopt en willekeurig, maar geeft niettemin een indruk van het geloofsleven van de christenen uit de beginfase van de kerk.
Een goed begin
De eerste berichten over de gemeente zijn overwegend positief. Bij de komst van de Geest op de pinksterdag werd het evangelie met enthousiasme ontvangen. In Handelingen 2 lezen we: “Degenen die zijn [Petrus] woorden aanvaardden, lieten zich dopen; op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drieduizend. Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen… Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde. Ze loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk. De Heer breidde hun aantal dagelijks uit met mensen die gered wilden worden.”[8]
Liefde en geloof waren kenmerkend voor de gemeenten die daarna door de apostelen werden gesticht. Zo schrijft Paulus aan de gemeente in Rome dat hij God dankt omdat er “in de hele wereld” over hun geloof gesproken wordt. Ook in Korinte gaat (aanvankelijk) alles goed: ze zijn geworteld in het evangelie en het ontbreekt hen aan geen enkele gave van de Geest. Op grond daarvan verzekert hij hen dat geen blaam hen zal treffen op de dag van onze Heer Jezus Christus. Wat de gemeente te Efeze betreft, dankt Paulus God onophoudelijk voor hun geloof in Jezus en voor de liefde die ze voor elkaar tonen. Hetzelfde geldt voor Filippi. Hij bidt voor hen dat hun liefde blijft groeien, want dan zullen ze “op de dag van Christus zuiver en onberispelijk zijn.” Ook moedigt hij hen aan zich te blijven richten op “alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is, kortom, aan alles wat deugdzaam is en lof verdient.”[9]
Desondanks ‘vlekken en rimpels’
Dit goede begin betekent echter niet dat het alles goud was wat er blonk. Integendeel. We moeten ook constateren dat er nog veel ontbrak aan het ideaal dat Jezus voor ogen staat. Er blijken ook in deze periode al in diverse gemeenten allerlei misstanden en wanordelijkheden voor te komen die in strijd zijn met het geloof en de leer die Jezus en de apostelen hen hadden voorgehouden.
Zo is in Korinte sprake van onderlinge haat en nijd. Er is zelfs een geval van incest aan Paulus gemeld. Dit laat zien dat ze nog leven als onveranderde mensen. Dat kan natuurlijk niet, en daarom zegt hij ook dat ze hun leven moeten beteren. Ook in de gemeente te Efeze zijn er leden die nog steeds leven zoals de heidenen: onzedelijk en losbandig. Paulus veroordeelt dit scherp en wijst hen erop dat ze Christus hebben leren kennen en daarom hun vroegere levenswandel moeten opgeven. Ook op de gelovigen in Tessalonica doet Paulus met klem een beroep om “te leven zoals wij het u hebben geleerd, dus zo dat het God behaagt.” Verder moet ook Petrus zijn kudde berispen vanwege kwaadwilligheid en nijd. Zij moeten zich ontdoen van “alles wat slecht is, van alle bedrog en huichelarij, alle afgunst en kwaadsprekerij.” Jakobus voelt zich eveneens genoodzaakt “de twaalf stammen in de diaspora” ernstig te waarschuwen. Ook zij zijn nog verkeerd bezig: “Waar komt al die strijd, waar komen al die conflicten bij u toch uit voort? Is het niet uit de hartstochten die strijd leveren in uw binnenste?... U bent jaloers en moordlustig …. U bekvecht en twist met elkaar.” In plaats daarvan moeten ze zich onderwerpen aan God, dan krijgt de duivel geen kans meer.[10] Zo moeten de gelovigen over de hele linie er steeds weer aan worden herinnerd dat ze het ideaal van Christus nog (lang) niet hebben bereikt, dat ze nog veel moeten groeien in het geloof.
Het gevaar van dwaalleraren
Behalve dat de gelovigen moeten toezien op hun eigen geestelijk leven, moeten ze ook alert zijn op misleiding en bedrog, afkomstig van allerlei dwaalleraren. Paulus schrijft aan de Korintiërs dat er zogenaamde schijnapostelen zullen komen “die zich door oneerlijk te werk te gaan voordoen als apostelen van Christus. Dat is ook geen wonder, want niemand minder dan Satan vermomt zich als een engel van het licht. Het ligt dus voor de hand dat ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren van de gerechtigheid.” In Galatië zijn reeds dwaalleraren opgedoken - in dit geval van joodse origine - en ze hebben voor veel verwarring en dwaling gezorgd. De reactie van Paulus laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Ze moeten zich niet door een ander soort ‘evangelie’ laten misleiden, want er ís geen ander evangelie. “Wanneer… iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat u hebt ontvangen - vervloekt is hij!” Ook Petrus waarschuwt tegen zulke lieden: “Ze zullen met verderfelijke ketterijen komen… Velen zullen hun losbandig gedrag overnemen en zo de weg van de waarheid in opspraak brengen.” En ook Judas ziet zich genoodzaakt de gelovigen “op te roepen om te strijden voor het geloof dat voor eens en altijd aan de heiligen is overgeleverd.[11]
De ergste dwaling: de verschijning van ‘de wetteloze’
De ergste dwaling ligt echter nog in de toekomst. Johannes heeft zijn lezers al gewaarschuwd dat “het laatste uur is aangebroken” en de antichrist zal komen. Daarom moeten ze niet iedere geest vertrouwen: “Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen.” Paulus gaat in zijn brief aan de Tessalonicenzen daar uitgebreider op in.
De komst van de wetteloze. De gelovigen moeten zich door niemand laten misleiden. Voordat de dag van de Heer aanbreekt, zal de wetteloze mens verschijnen en zullen velen zich van het geloof afkeren. Dat alles is het werk van Satan. Zijn komst gaat gepaard met groot machtsvertoon en valse tekenen en wonderen. Hij zal alles wat goddelijk en heilig is bestrijden en zich erboven verheffen. Ook zal hij in Gods tempel plaatsnemen op de troon en zich voordoen als God zelf. Deze wetteloze is nu al in het verborgene werkzaam, maar zijn volle manifestatie wordt nog tegengehouden. Hij zal pas verschijnen op de voor hem vastgestelde tijd. Maar de Heer Jezus zal hem doden met de adem van zijn mond en vernietigen door de aanblik van zijn komst.
Iedereen die de waarheid niet liefheeft, zal door deze dwaling verblind raken en de leugen geloven. Maar wie standvastig blijft, zal worden gered door de Geest die heilig maakt en door het geloof in de waarheid. Daarom roept Paulus hen op te blijven bij de traditie waarin ze onderwezen zijn, zowel in woord als geschrift.[12]
Laatste instructies
Gezien het nog broze geloofsleven van de eerste generaties christenen, is het niet verwonderlijk dat de Mensenzoon aan het einde van de 1e eeuw het alsnog nodig vindt instructies, vermaningen en bemoedigingen te richten tot de zeven gemeenten uit de Openbaring. Want ook in bijna al deze gemeenten worden nog allerlei misstanden gevonden. Jezus weet waartoe dit kan leiden. Daarom roept Hij hen dringend op tot inkeer te komen. Want alleen de “overwinnaars” zullen toegang krijgen tot Gods koninkrijk.[13]
Op de drempel van de 2e eeuw
Uit het voorgaande blijkt dat de christelijke geloofsgemeenschap nog een lange weg te gaan heeft voordat ze aan Gods ideaal zal beantwoorden. Desondanks kan Paulus toch aan Timotëus schrijven: “Maar het fundament dat God gelegd heeft, ligt onwrikbaar vast en draagt het opschrift: ‘De Heer weet wie hem toebehoren’ en ‘Laat ieder die de naam van de Heer noemt, onrecht uit de weg gaan’.” Dat de gemeenschap van gelovigen een gemengd gezelschap is, illustreert hij met een passende vergelijking: “In een groot huis zijn er niet alleen voorwerpen van goud en zilver, maar ook van hout en aardewerk… Als iemand zich van alle kwaad gereinigd heeft, wordt hij een bijzonder en geheiligd voorwerp, dat zijn eigenaar vele diensten kan bewijzen en geschikt is voor elk goed doel.”[14]
De vraag is nu: Hoe zal de levensloop van ‘de vrouw’ ná deze 1e eeuw er uitzien? Zal zij blijken een voorwerp te zijn van ‘goud of zilver’ óf van ‘hout of aardewerk’?
DE VROUW: DE KERK IN DE 2e EN 3e EEUW
In de nu volgende twee eeuwen zal duidelijk worden dat de waarschuwingen van Jezus en de apostelen nog altijd van toepassing zijn. De kerk zal meer dan eens met dwalingen worden geconfronteerd die een wezenlijk gevaar vormen voor de gezonde leer. Bovendien is dit ook het tijdperk waarin de vervolgingen door de draak plaatsvinden. Het is duidelijk dat de trouw van de vrouw door de verschillende dwalingen en vervolging herhaaldelijk op de proef zal worden gesteld.
Enkele vroege en invloedrijke dwalingen
Niettegenstaande alle waarschuwingen en instructies van Jezus en de apostelen (inclusief de Openbaring) is er ook al vroeg in de 2e eeuw sprake van allerlei dwaalleer. Een van de eerste is het Docetisme. Volgens deze leer zou Jezus geen mens van vlees en bloed zijn geweest maar was Hij een fantoom. Bijgevolg werden ook zijn dood en kruisiging geloochend. Maar een veel ernstiger en hardnekkiger bedreiging voor de leer en het leven van de gelovigen was het Gnosticisme. De kern van deze dwaling was de zogenaamde ‘hogere kennis’ van het universum, een mystieke, bovennatuurlijke wijsheid. Die leer bereikte haar hoogtepunt tussen 136 en 160, maar had tot lang daarna nog invloed op de kerk. Omstreeks deze tijd deed zich nog andere dwaling voor. Deze werd verkondigd door een ‘kerkhervormer’, genaamd Marcion. Volgens hem was de God van het oude testament boos en wreed, maar die van het nieuwe testament liefdevol. Vervolgens komt Montanus in beeld. In de tweede eeuw begon de oorspronkelijke hoop op de spoedige wederkomst van Christus in de meeste kerken te vervagen en was de wereldsgezindheid aan het toenemen. Ook leek de tijd dat de Geest direct aanwezig en werkzaam was tot het verleden te behoren. Kenmerkend voor het Montanisme (c.160) was de gedachte van het aanbreken van een nieuwe, speciale bedeling van de Heilige Geest, inclusief de profetische gaven. Al spoedig voegden zich twee profetessen, Prisca en Maximilla, bij Montanus. Zij bevestigden, als spreekbuis van de Geest, dat het einde van de wereld nabij was, en dat het hemelse Jeruzalem op het punt stond te worden gevestigd in Frygië (Klein-Azië), waarheen de gelovigen zich moesten begeven. De kerkelijke autoriteiten ervoeren het profetische element als ondermijnend voor hun gezag, en mede door de dwaalleer over de wederkomst leidde dit tot de veroordeling van deze stroming. Vanwege het verzet tegen de verwereldlijking van de kerk had deze beweging toch een vrij grote aantrekkingskracht op de gelovigen. Zo bekeerde ook de bekende theoloog en kerkvader Tertullianus (c.160-230) zich tot het Montanisme. Vervolgens werd hij een van de leidende figuren van deze beweging.
Een ‘katholieke’ kerk krijgt vorm
Deze en andere dwalingen dwongen de intussen omvangrijk geworden gemeenschap van gelovigen steeds weer tot het bepalen van een standpunt. Mede daardoor kwam tussen de jaren 160 en 190 een betere organisatie van de kerk tot stand, met officiële, gezaghebbende leiders, de bisschoppen. Zo kon er voortaan over de dwalingen een gemeenschappelijk oordeel worden geveld. De kerk die nu was ontstaan met haar nieuwe (geografisch) grensoverschrijdende organisatie en gezag, staat voortaan bekend als de ‘katholieke’, dat is de ‘universele’ kerk. Als zodanig onderscheidt zij zich als de ‘ware kerk’ van de diverse dwalingen die steeds weer de kop opstaken. Sommige daarvan waren hardnekkig en telden veel aanhangers. De ‘katholieke’ kerk zal vanaf nu de rol gaan vervullen van behoedster van ‘de zuivere leer’. Deze nieuwe situatie betekende niet alleen een fundamentele verandering in de organisatie van de kerk, maar ook van het lidmaatschap. Wie rond het jaar 50 werd gedoopt, de Heilige Geest had ontvangen en Jezus ‘Heer’ noemde, was lid van de kerkelijke gemeenschap. Maar omstreeks 180 moest je daarvoor de geloofsleer en het gezag van de bisschoppen erkennen. Onder ‘geloofsleer’ moeten we dan idealiter verstaan de leer van Jezus en de apostelen.[15]
Geestelijke vervlakking
Ondanks de beoogde ‘katholiciteit’, ‘zuivere leer’ en ’christelijke levenswandel’, liet de geloofsbeleving van veel christenen tegen het einde van de tweede en aan het begin van de derde eeuw in toenemende mate te wensen over. Kerkhistoricus Pierre Trouillez beschrijft deze toenemende vervlakking als volgt:
“Van een groepje mensen dat gespannen naar het einde van de geschiedenis uitkeek, was de Kerk in de 3de eeuw uitgegroeid tot een beweging die haar plaats in de geschiedenis had gevonden. Na de bezwering van de montanistische crisis was de verwachting van Christus' wederkomst in de courante beleving een geloofsartikel geworden, dat alleen bij grote catastrofen even werd gereanímeerd. Van de weeromstuit begonnen de gelovigen het 'voorlopige' aardse bestaan toch wel de moeite waard te vinden. De radicaliteit van de begintijd werd langzamerhand weggeschuurd en de tendens tot verburgerlijking zette zich in de kerkelijke rangen onmiskenbaar door.”
De schrijver erkent dat de kerk als geheel nooit aan het ideaal van Christus heeft voldaan, maar er lijkt volgens hem nu toch een soort omslagpunt te zijn bereikt: “Nu heeft de Kerk altijd leden geteld die niet 18-karaats waren, maar in de 3de eeuw lijken ze zich sterk vermenigvuldigd te hebben.” Hij typeert de ontstane situatie dan ook als de tijd waarin de 'christen-modaal' het licht zag.[16] Uiteraard gingen deze ontwikkelingen niet onopgemerkt aan de geestelijke leiders voorbij.
Discipline: streng of laks? De aanpak van de vervlakking was een gevoelig probleem. Bij de correctie van zondig gedrag kon men te streng zijn, maar ook te laks. Zo ontstonden er aan het begin van de 3e eeuw twee stromingen als reactie op de “sluipende erosie van de geloofsbeleving”.
-De eerste was een strenge benadering van het probleem, waarbij ”terugkeer naar de bron” het doel was. Daarbij was men zich ervan bewust dat dit zou kunnen leiden tot het overblijven van een “kleine schare van heiligen”, weliswaar sterk uitgedund, maar wel ‘zondeloos’. Zo’n selecte groep zou zich des te krachtiger in en tegen de wereld kunnen profileren.
-De tweede stroming was gematigder. Zware zonden konden na biecht en berouw alsnog vergeven worden. Bij deze aanpak van het probleem werd meer rekening gehouden met de omstandigheden van de zondaar.[17] Trouillez zegt over de voor- en nadelen hiervan:
“De toeschietelijker houding van de kerkelijke hiërarchie tegenover de zondaars sproot niet alleen uit evangelische vergevingsgezindheid voort. Ze voelde er ook weinig voor om met een roestvrij, maar ontvolkt scheepje van Petrus over de heidense zee te moeten varen. Met haar strategie van begrip en geduld hield - en hees- ze meer mensen aan boord. Maar die medaille had een keerzijde. Meer dan vroeger moesten de kerkelijke leiders er de hand aan houden dat de kwaliteit van hun gemeenschap gunstig bleef afsteken tegen die van de omgeving.”
Hoe het ook zij, er werd in elk geval opgetreden tegen de verwereldlijking en de vervlakking van de dwalende en falende gelovigen.
De kerk te Rome: van ‘voorbeeldig’ naar ‘heerszuchtig’
Paulus sprak vol lof over deze kerk. Hij prees hen voor hun geloof en was verheugd over hun gehoorzaamheid. Om deze twee deugden stonden ze overal bekend.[18] Ook in de kerkgeschiedenis van de eerste paar eeuwen zijn positieve zaken over Rome te melden. Het was de eerste gemeente die onder keizer Nero met zware vervolging te maken kreeg. Ze hadden zijn gruweldaden goed doorstaan en waren sterker uit de vervolging gekomen. Rond het jaar honderd was Rome al de kerk met het grootste aantal leden in heel de christelijke wereld. De gemeente stond ook goed bekend om haar vrijgevigheid. Verder genoot ze grote waardering voor haar verzet tegen het Gnosticisme en Montanisme. Bovendien was het van groot belang (zeker op de lange duur) dat Rome de enige gemeente in het West-Romeinse rijk was die kon bogen op een directe relatie met de apostelen. Daarom vond Ireneüs, bisschop van Lyon, het noodzakelijk “dat elke kerk met deze kerk instemt”. Door deze - en andere factoren - nam de invloed van Rome steeds verder toe. Ondanks al die waardering kleefde er ook een schaduwzijde aan hun reputatie.
Een big-brotherly houding. Al vrij vroeg ontstond er bij de bisschoppen van Rome een tendens om niet alleen te dienen, maar ook te heersen. Nog vóór het begin van de tweede eeuw (c.96) schreef bisschop Clemens vanuit Rome een brief aan de gemeente in Korinte. Daar hadden de leden enkele leiders afgezet. Maar hij riep hen op daarover berouw te tonen, hun leiders weer te aanvaarden en te gehoorzamen. Over de formulering van Victors boodschap maakt Walker deze enigszins humoristische maar tegelijkertijd ook veelzeggende opmerking: “The tone, if brotherly, was big-brotherly.”[19] Over dit optreden van Clemens, waaraan de broeders in Korinte overigens ook gehoor gaven, zegt Maccullogh: “Daarmee was het ook meteen de eerste gelegenheid waarbij een Roomse geestelijke met succes had ingegrepen in het leven van een andere kerkgemeenschap, een moment dat van groot belang zou blijken voor de toekomst van het christendom in het algemeen.”[20]
De Paasdatum. Het optreden van Clement was in feite het begin van een ‘strijd om het gezag’. Enkele tientallen jaren later escaleerde deze zucht naar de macht. De datum waarop Pasen moest worden gevierd, was een twistpunt geworden. Vanaf het begin van de kerk viel die datum samen met het joodse Pesach. In het oostelijk deel van het rijk was dat rond het jaar 150 nog altijd zo, maar bisschop Victor van Rome wilde persé dat dit altijd en overal op een specifieke zondag zou zijn. De oosterse kerken weigerden daarmee in te stemmen en bleven bij hun standpunt. Victor meende dat hij hoofd was van de ‘katholieke’ kerk en in die hoedanigheid hiertegen moest optreden. Daarom eiste hij gehoorzaamheid van de andere partij. Wie bleef weigeren Pasen op zondag te vieren, werd tot ketter verklaard en zou worden geëxcommuniceerd. Daarmee was de verhouding tussen Rome en de oosterse kerken flink op scherp gezet. Ireneüs nam in dit conflict een veel gematigder positie in dan zijn collega bisschop Victor en wist hem uiteindelijk ertoe te bewegen de excommunicatie niet door te zetten.
Toepasselijke vermaning. Toch was dit een noemenswaardig incident. De invloed van Rome zal in de toekomst alleen maar groter worden. Als deze heerszuchtige tendens doorzet, zal dat ongetwijfeld consequenties hebben. Victor en zijn opvolgers zouden er goed aan gedaan hebben zich óók deze woorden uit de brief van Paulus te herinneren en toe te passen: “Ik spoor u aan… op te passen voor degenen die tweedracht zaaien en anderen in de weg staan.”[21] Wat zal Rome in de toekomst met deze vermaning doen? Zal het voorbeeldige gedrag uit de begintijd standhouden, of zal het moeten wijken voor de heerszucht die hier de kop heeft opgestoken? De tijd zal het leren.
Paasdatum en jodenhaat. Niettegenstaande al het voorgaande, werd het in de loop van de derde eeuw toch steeds meer de gewoonte om Pasen altijd op een zondag te vieren. Een van de redenen daarvoor was de aanzienlijke afkeer van joden die in bepaalde christelijke kringen heerste. Deze afkeer was zelfs zo diep geworteld dat keizer Constantijn aan het begin van de vierde eeuw in niet mis te verstane bewoordingen de ban uitsprak over ‘de joodse Paasdatum’: "Laten we niets gemeenschappelijk hebben met die verachtelijke joden, want wij hebben van onze Heiland een andere manier ontvangen.”[22]
Trouw in tijden van vervolging
Alle voorgaande hoogte- en dieptepunten in de geschiedenis van de kerk vonden plaats gedurende de tijd van vervolging door de draak. Daaraan hebben we in Hoofdstuk XII al ruim aandacht besteed. In de eerste drie eeuwen moest ‘de vrouw’ dus niet alleen erop toezien dat ze niet ten prooi viel aan afvalligheid en ketterijen, maar ze moest óók onder vervolgingen trouw blijven. De eerste zware vervolging was die door keizer Nero (64). De laatste en bepaald niet de minste stond de gelovigen aan het einde van de derde eeuw nog te wachten. Die zou plaatsvinden onder Diocletianus (303-313). In de eerste drie eeuwen zijn, onder de immense druk van vervolging, zeker ook talrijke gelovigen afvallig geworden. Maar anderzijds dwong het geloof en de ware heldenmoed van de vele trouwe martelaren ook diep respect onder de heidenen af. Het belangrijkste van alles is echter dat God hun trouw niet zal vergeten. In de Openbaring lezen we dat Hij hen uiteindelijk recht zal doen en hun moed en standvastigheid zal belonen (6.9-11; 19.2).
Einde 3e eeuw: de vrouw nog altijd trouw
De kerk moest in de eerste drie eeuwen zien stand te houden onder hevige vervolgingen en tevens leren omgaan met het probleem van de zonde. Ondanks het ideaal van Jezus en de instructies van de apostelen was er nog steeds sprake van dwalingen en ernstige zonden. Maar hoewel de kerk bij tijd en wijle erg zwak en gebrekkig mag zijn geweest, ze heeft niet werkeloos toegezien maar getracht orde op zaken te stellen als dwalingen zich voordeden of wanneer individuele gelovigen terugvielen in hun oude wereldse praktijken. Te midden van een heidense samenleving die moreel bankroet was, was zij toch als getuige van Jezus Christus nog altijd ‘zout en licht’ voor de wereld. Pierre Trouillez vat de hele situatie wellicht het beste samen als hij stelt dat “aan de vooravond van de 4de eeuw de toewijding aan Christus en het evangelie weke plekken kon vertonen, maar het kerkelijke leven toch fundamenteel bleef doordesemen.”[23] Met andere woorden: tot aan het einde van de derde eeuw is de vrouw God nog altijd trouw.
Bovenstaande gevolgtrekking houdt tevens in dat Jezus op dit punt in de geschiedenis ‘de vrouw’ nog altijd als zijn bruid beschouwt. Dat mogen we eveneens concluderen uit het feit dat Hij haar binnenkort in staat zal stellen op ‘vleugels van een adelaar’ naar de woestijn te vliegen. Daar zal zij dan veilig zijn voor verdere vervolging door de draak (12.6,14). Welke wending de levensloop van de vrouw dan zal nemen, is het onderwerp van het volgende hoofdstuk.
[1] Johannes 3.3
[2] Matteüs 5:48
[3] Respectievelijk: Jakobus 1.4; Efeziërs 5.3-5, 25-27; 1 Petrus1.16 en 2 Petrus 1.4; 1 Johannes 2.3-6;
1 Johannes 5.3
[4] Marcus 1.15
[5] Matteüs 4.8-10
[6] Matteüs 6.13
[7] 1 Petrus 5.8
[8] Handelingen 2.41-47 (cursivering toegevoegd)
[9] Respectievelijk: Romeinen 1.8,11; 1 Korintiërs 1. 5-8; Efeziërs 1.15-16; Filippenzen 1.3-11; Filippenzen 4.8-9
[10] Respectievelijk: 1 Korintiërs 1.12; Korintiërs 3.4; 1 Korintiërs 5.1-2; 2 Korintiërs 13.11; Efeziërs 4.17-32;
1 Tessalonicenzen 4.11; 1 Petrus 2.1; Jakobus 4.1-7
[11] Respectievelijk: 2 Korintiërs 11.13-15; Galaten 1.6-9; 2 Petrus 2.1-3; Judas 1.3-4
[12] 2 Tessalonicenzen 2.1-17
[13] Openbaring 2 en 3. Zie het betreffende Hoofdstuk IV van deze studie
[14] 2Tim 2.19-21
[15] Walker, p.57-60
[16] Trouillez, p.330-332; Walker, p.94-95
[17] Trouillez, p.334-337 (‘zware zonden’ waren bijvoorbeeld verloochening van het geloof en overspel)
[18] Romeinen 1.8; 16.19
[19] Walker, p.61
[20] Maccullogh, p. 134
[21] Romeinen 16.17
[22] https://www.newworldencyclopedia.org/entry/Pope_Victor_I#:~:text=Pope%20Victor%20I,Use%20for%20details
[23] Trouillez, p.339-340