XVII SERIE B: VERIFICATIE VAN DE IDENTITEIT VAN HET PAUSDOM - COMMENTAAR (6)
Een vrouw, een beest en een hoer
De bedoeling van dit hoofdstuk is de eindconclusie uit Hoofdstuk XVI te verifiëren. We behoren dit delicate onderwerp van de identiteit van het beest van verschillende kanten te benaderen. Alleen dan kunnen we tot een verantwoorde en goed onderbouwde conclusie komen. Daarom benaderen we dit onderwerp nu niet vanuit historisch perspectief – zoals in het vorige hoofdstuk - maar vanuit de Schrift. Daarvoor is het noodzakelijk dat we óók visioenen raadplegen die Johannes hierna nog zal krijgen. Om de sleutel tot de apocalyptische identiteit van het pausdom te vinden, moeten we zorgvuldig aandacht schenken aan de hoofdrolspelers in deze visioenen: een vrouw, een beest en een hoer.
Een eerste kennismaking met de hoer
We beginnen met de hoer. Het is opmerkelijk dat we in de toekomstvisioenen van Johannes pas in Openbaring 14 voor de eerste keer het symbolische concept van ‘een hoer’ tegenkomen. En dan nog maar op indirecte wijze. Nadat de vervolgende machten uit Openbaring 13 hun werk bijna hebben voltooid, lezen we in hoofdstuk 14 dat God drie engelen naar deze aarde stuurt, elk met een specifieke boodschap. De tweede engel kondigt aan dat “Babylon, die grote stad” is gevallen. Dit is een profetische waarschuwing voor het oordeel dat haar te wachten staat, want de feitelijke val is op dat moment nog toekomst. De reden voor het oordeel is dat Babylon “door haar ontucht alle volken de wijn van haar wellust heeft laten drinken” (14.8). Hoewel het hier dus niet letterlijk wordt vermeld, impliceert deze boodschap dat Babylon symbool staat voor een hoer. Net als wij zal ook Johannes zich wel hebben afgevraagd wie of wat deze hoer voorstelt. Om daar achter te komen moeten we Openbaring 17 raadplegen. In dit hoofdstuk wordt Johannes door een engel uitgenodigd om getuige te zijn van het oordeel over “de grote hoer” (vs1). Uit de zonden waarvoor de hoer veroordeeld wordt, blijkt dat zij “Babylon die grote stad” uit 14.8 is: “De koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd, en de mensen die op aarde leven hebben zich bedronken aan de wijn van haar ontucht” (17.2). Om eventuele twijfel daarover ook nog weg te nemen, ziet hij dat zelfs haar naam op haar voorhoofd geschreven staat: “Het grote Babylon, moeder van alle hoeren en van alle gruwelijkheden ter wereld” (17.5).
Het beest, de vrouw en de hoer (Openbaring 17)
Bij alles wat Johannes in dit hoofdstuk hoort en ziet, kunnen we twee scènes onderscheiden. De eerste is een korte introductie (17.1-2) en in de tweede kan Johannes zelf alles waarnemen (17.3-6). Bovendien krijgt hij van de engel nog nadere uitleg (17.7-18).
-Scène 1: De engel vertelt hem dat de grote hoer zich op een plaats bevindt waar veel water is en dat
zij met de hele mensheid heeft gehoereerd. Het ‘vele water’ moet Johannes wel herinnerd hebben aan de zee, waaruit het beest opsteeg dat “de rest” van het nageslacht van de vrouw zal gaan vervolgen (12.17; 13.1-2). Omdat het oordeel een hoer betreft, zal hij daarbij ongetwijfeld hebben moeten denken aan afvallig geworden gelovigen. Een hoer is immers al vanaf oudtestamentische tijden het symbool van ontrouw en afvalligheid. De kernvraag is hier natuurlijk: Wie of wat is deze hoer? Een voorlopig antwoord op die vraag is te vinden in de aanzienlijke hoeveelheid aanvullende informatie die nu volgt.
-Scène 2: In deze scéne ziet Johannes: (1) een vrouw op een scharlakenrood beest met 7 koppen, 10 horens en godslasterlijke namen; (2) ze is gehuld in purper en scharlaken en draagt kostbare sieraden; (3) ze heeft een gouden beker vol gruwelijkheden dat is haar ontucht en onreinheid, in haar hand; (4) haar naam is: ‘Het grote Babylon’; (5) ze is de moeder van alle hoeren en alle gruwelijkheden ter wereld én (5) ze is dronken van het bloed van de heiligen, van de getuigen van Jezus.
Wat heeft dit alles te betekenen? Welke associaties roept dit tafereel op? Eerst zullen we kort stilstaan bij het beest, vervolgens gaan we dieper in op de relatie tussen ‘de hoer op het beest’ en ‘de vrouw in de woestijn’ en als laatste moeten we inzicht zien te krijgen in de relatie tussen de hoer en de religieuze en politieke macht van het beest.
1 Het beest uit de zee – het beest in de woestijn
Het beest. In elk geval moet Johannes het beest met al zijn godslasterlijke namen gemakkelijk hebben herkend. Het is identiek aan het beest uit de zee. Dat blijkt uit zijn uiterlijke kernmerken: ze hebben allebei hetzelfde aantal koppen en horens en op alle twee staan godslasterlijke namen geschreven. Verder moet het hem opgevallen zijn dat het beest inmiddels aan land is gegaan. Het bevindt zich nu in de woestijn. Maar wat hem het meest geïntrigeerd moet hebben, is wel de vrouw die op het beest zit.
2 De vrouw - de hoer
Fundamentele verschillen. De enige vrouw die Johannes tot nu toe in zijn visioenen heeft gezien, is de vrouw uit Openbaring 12. Zij was “bekleed met de zon”. Deze vrouw is gehuld in purper en scharlaken en met kostbare sieraden behangen. Het onderscheid tussen deze twee vrouwen gaat echter veel verder dan alleen het uiterlijk. Het verschil in kledij heeft een symbolische betekenis en geeft uitdrukking aan fundamentele verschillen in mentaliteit en activiteit. De ene vrouw is het toonbeeld van deugd, bekleed met het zuivere licht van de zon. Zij is de moeder van het kind Jezus en van degenen die zich aan Gods geboden houden en bij het getuigenis van Jezus blijven (12.17). En ze is het voorwerp van vervolging. De andere vrouw is de belichaming van alles wat verwerpelijk is. Zij is de moeder van alle hoeren en van alle gruwelijkheden ter wereld (17.5). Haar kostbare sieraden en weelderig purperen gewaad zijn tekenen van macht en aanmatigend gedrag.[1] Maar bovenal draagt zij de verantwoording voor het bloed van de martelaren dat rijkelijk gevloeid heeft.
Markante overeenkomsten. Behalve de zojuist vermelde verschillen zal Johannes zich - net als wij – wel herinnerd hebben dat de vrouw uit Openbaring 12 naar de woestijn vluchtte en dat de draak die haar vervolgde toen bleef staan bij de zee (12.18). Uit die zee komt juist op dat moment het beest op met de zeven koppen en tien horens. Nu, hier in Openbaring 17, wordt Johannes geconfronteerd met het oordeel over de grote hoer - een vrouw gezeten bij de zee, bij “talrijke waterstromen”.[2] Vervolgens, in scène 2, ziet Johannes een vrouw, nu gezeten op een scharlaken rood beest dat zich in de woestijn bevindt. Het gaat in beide gevallen om hetzelfde beest, zoals we hierboven al hebben vastgesteld.
Terwijl Johannes dit schouwspel gadeslaat, moeten bij hem wel dezelfde vragen opgekomen zijn die wij ons hier kunnen stellen: Wie is deze hoer? Waar komt zij vandaan? Laten we om het antwoord daarop te vinden eens kijken naar de locaties en de hoofdrolspelers. Er is sprake van twee locaties en drie hoofdrolspelers.
De locaties: de zee (talrijke waterstromen) en de woestijn.
De hoofdrolspelers: de grote hoer gezeten bij de zee; een vrouw die op een beest zit; het beest uit de zee dat zich nu in de woestijn bevindt (zie paragraaf 1. hierboven).
Wanneer we deze gegevens goed tot ons laten doordringen, beseffen we dat de locaties waarop deze gebeurtenissen zich afspelen én de drie hoofdrolspelers samen de sleutel vormen tot het vaststellen van de relatie tussen de vrouw en de hoer. Daar, op de grens van de woestijn en de zee, vloeien beelden van de vrouw uit Openbaring 12 en van de hoer uit Openbaring 17 in elkaar over tot één samenhangend geheel.
Dit is wat plaatsgevonden moet hebben. De vrouw “bekleed met de zon” is ‘vreemd gegaan’ met het beest uit de zee en zij verschijnt hier als de hoer “gehuld in purper en scharlaken”. Deze radicale verandering verklaart de verschillen in mentaliteit en activiteit waaraan we hierboven refereerden. Het gaat hier dus blijkbaar niet om twee verschillende vrouwen, maar om twee verschillende fasen in het bestaan van dezelfde vrouw. De vrouw uit Openbaring 12 heeft, door een relatie met het beest uit de zee aan te gaan, haar afkomst en haar verleden verloochend. Dit verklaart ook waarom de draak haar niet langer vervolgt. Want hij heeft haar nu toch nog in zijn macht gekregen, niet door geweld, maar door haar te verleiden, door haar te laten delen in de macht die hijzelf aan het beest verleend heeft. Vanuit deze machtspositie is de vrouw een aantrekkelijke partij voor de koningen en de volkeren op aarde, met wie ze dan ook naar hartenlust hoererij bedrijft (14:8;17:2). Er valt hier slechts één logische maar ook heel tragische conclusie te trekken uit de relatie tussen de vrouw en de hoer: Deze ‘grote hoer’ uit Openbaring 17 en ‘de vrouw’ uit Openbaring 12 zijn één en dezelfde persoon.
De hoer m.b.t de politiek-religieuze macht van het beest
De doelstelling voor dit hoofdstuk is om vanuit de Schrift de identiteit van het beest vast te stellen. Daarvoor moeten we nu vanuit dat perspectief ruim aandacht besteden aan zowel het religieuze als het politieke aspect van zijn macht en dan in het bijzonder de rol die de hoer daarbij vervult.
a) Het religieuze aspect en de hoer
Hierboven zagen we al dat de rol van de hoer op het beest meer inhoudt dan slechts een ceremoniële functie. Dit valt verder ook af te leiden uit het gegeven dat zij op de zeven koppen van het beest is gezeten (17:9). Die koppen staan voor de vitaliteit van het beest. Dat bleek toen één ervan dodelijk gewond werd (13:3) en het beest daardoor tijdelijk vrijwel geheel uitgeschakeld was. Pas na het herstel van die dodelijke wonde kon het zijn activiteiten weer hervatten. Weliswaar heeft de draak “zijn kracht en heerschappij en gezag” aan het beest overgedragen (13.2), maar het feit dat de vrouw zetelt op die bron van vitaliteit (de zeven koppen) impliceert dat zij vanuit die positie het beest ‘aanstuurt’ bij alles wat het onderneemt. In Openbaring 13 is de focus op het beest gericht, maar de hoer blijkt de drijvende kracht achter de vervolging van de heiligen te zijn. Die gevolgtrekking is gebaseerd op wat Johannes zelf heeft waargenomen: “Ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en het bloed van hen die van Jezus hadden getuigd” (17:6).
We kunnen het bovenstaande als volgt verklaren. Wanneer het beest uit de zee de woestijn intrekt (17:3) om er oorlog te gaan voeren tegen de heiligen (13:7) doet hij dat in combinatie met de grote hoer. Als ‘operationele eenheid’ zijn ze samen verantwoordelijk voor de gruweldaden die in de loop van Openbaring 13 tegen de heiligen worden bedreven. Daarbij mogen we niet vergeten dat deze heiligen “de rest” van het nageslacht van de vrouw zijn (12.17), degenen die God wél trouw zijn gebleven. Het overtuigendste bewijs van de verdorvenheid van de hoer is dus het ontstellende feit dat zij zich juist tegen haar eigen nageslacht heeft gekeerd.
Wat het religieuze aspect van de macht van het beest aangaat en de rol die de hoer hierbij vervult, kunnen we nu de volgende conclusie trekken: De hoer is de belichaming van de religieuze macht van het beest, waarbij die macht afvallig christendom betreft.
b) Het politieke aspect en de hoer
Het politieke aspect is al eerder aan de orde geweest (Hoofdstuk XIV). We hebben toen het verband
onderzocht tussen Openbaring 13 en de visioenen uit Daniël 2 en Daniël 7. Om het geheugen wat op te frissen, sommen we hier de belangrijkste gegevens nog eens op.
-Daniël 2 en Daniël 7: de ijzeren benen. De ijzeren benen van het beeld uit Daniël 2 zijn een symbool van de politiek-religieuze macht van het Romeinse Keizerrijk. Deze benen corresponderen chronologisch gezien met het vierde dier uit Daniël 7. Voor alle duidelijkheid: ‘religieus’ staat in deze periode voor heidens.
-Daniël 2 en Daniël 7: de voeten. De voeten van het beeld zijn samengesteld uit een onsamenhangend mengsel van ijzer en leem. Ze symboliseren het Romeinse Rijk van ná de val van Rome (476), dat verdeeld is geraakt in een aantal onsamenhangende staten. Ten tijde van dit verdeelde Rijk verschijnt ‘de kleine horen’ uit Daniël 7 op het profetische toneel. Als erfgenaam (of voortzetting) van het Romeinse Rijk is deze horen dus ook weer een politiek-religieuze macht. Het Romeinse Rijk is dan reeds gekerstend, maar het christendom is inmiddels afvallig christendom geworden. Dit betekent dat de kleine horen zowel een afvallige christelijke macht vertegenwoordigt alsook een politieke macht.
-Daniël 7 en Openbaring 13: identiek. In Hoofdstuk XIV kwamen we tot de conclusie dat de kleine horen identiek is aan het beest uit de zee. Dit betekent dat de macht van het beest dus óók identiek aan die van de horen. Het beest vertegenwoordigt dus (net als de kleine horen) zowel een afvallige christelijke macht alsook een politieke macht.
Welke rolt speelt de hoer in dit alles? We hebben al vastgesteld dat de hoer de belichaming is van de religieuze macht van het beest. Dan is nu de vraag aan de orde: “Speelt de hoer ook een rol met betrekking tot zijn politieke macht?” Aangezien een hoer in de Schrift symbool staat voor de ontrouw van Gods volk, kunnen we deze vraag nog wat gerichter formuleren: “Is er in de loop van de geschiedenis sprake van ontrouw volk van God, met daaraan gerelateerde politieke macht? We zullen zien dat dit inderdaad het geval is.
Het pausdom: afvallig christendom én politieke macht
De overgang van een dienende leidersrol naar een overheersende machtspositie is een betrekkelijk kleine stap en die vindt meestal op een subtiele wijze plaats. In de kerkgeschiedenis kunnen we dit verschijnsel met name herkennen bij de paus, de bisschop van Rome. In het prille begin vervult hij een positieve dienende leidersrol. Zijn invloed betreft alleen nog kerkelijke aangelegenheden. Maar nadat de kerk een erkende kerk was geworden, kwam er geleidelijk aan ook een politiek element om de hoek kijken. Naarmate de tijd voortschrijdt, nemen de macht en invloed van deze bisschop steeds bedenkelijker vormen aan. Vanaf Constantijn waren kerk en staat nauw met elkaar verbonden. Door deze verbintenis kreeg de kerk in toenemende mate ook politieke invloed en macht. Daarvan wist met name de bisschop van Rome effectief gebruik te maken. Niettemin was dit een zaak van lange adem. In de eerste eeuwen van de staatskerk was de kerk in grote mate afhankelijk van de wil en wensen van de keizers, het zogenaamde tijdperk van het Caesaropapisme.[3] Maar telkens wanneer er zwakke keizers waren en sterke pausen nam het pausdom de gelegenheid waar om zijn macht te versterken. Toen de val van Rome plaatsvond, speelde dat de paus in de kaart. Dit werd in 1860 nog eens gememoreerd door paus Pius IX. In zijn Apostolische Brief Cum Catholica Ecclesia bevestigde hij de blijkbaar gevestigde katholieke visie dat God, met de val van Rome en het uiteenvallen van het Romeinse Rijk, burgerlijke macht aan het pausdom had verleend:
“Het is daarom door een bijzonder besluit van de Goddelijke Voorzienigheid dat, bij de val van het Romeinse Rijk en zijn verdeling in afzonderlijke koninkrijken, de paus van Rome, die Christus tot hoofd en middelpunt van zijn hele kerk maakte, burgerlijke macht verkreeg.”[4]
Ná de val van Rome begon de periode van de ‘vroege middeleeuwen’ (500-1000), waarin chaotische toestanden heersten. De enige organisatie in West-Europa die toen nog goed functioneerde, was de Rooms-katholieke Kerk. Daardoor kreeg de bisschop van Rome meer aanzien en macht. In de volgende vijf eeuwen (‘hoge middeleeuwen’ 100-1250 en de ‘late middeleeuwen’ 1250-1500) breidde de pauselijke macht zich steeds verder uit. Ze was niet beperkt tot de kerkelijke hiërarchie, maar manifesteerde zich ook als politieke macht. De bisschoppen hadden vaak wereldlijke, bestuurlijke machtsposities verkregen. Een van de gevolgen daarvan was dat zich een eeuwenlang slepende ‘investituurstrijd’ ontwikkelde tussen de paus en Europese koningen en keizers. Die strijd ging over de bevoegdheid tot het benoemen van bisschoppen. Om de keizer of de koning duidelijk te maken dat deze bevoegdheid hen niet toekwam, gebruikten de pausen excommunicatie nogal eens als een krachtig politiek wapen.[5]
Het bekendste voorbeeld van deze investituurstrijd is wel het enorme conflict hierover tussen de paus en de Duitse keizer Hendrik IV (1056-1106). Deze keizer was een van de machtigste en belangrijkste figuren van de 11e eeuw. Zijn tijdgenoot paus Gregorius VII was een felle tegenstander van het benoemen van bisschoppen door de keizer. In 1075 verklaarde deze paus dat hij het hoogste gezag had binnen de kerk en dat de kerk boven de rest van de maatschappij was geplaatst. Daarmee stelde Gregorius zich op het standpunt dat de paus boven de vorsten stond en hen kon benoemen of afzetten als hij dat nodig vond. Het jaar daarop benoemde keizer Hendrik een bisschop die door de paus in de ban was gedaan. Dat leidde tot een heftige confrontatie. In de hitte van de strijd liet Hendrik een aantal bisschoppen verklaren dat de paus als afgezet moest worden beschouwd. Paus Gregorius was daarover zo ontstemd dat hij Hendrik excommuniceerde en de banvloek over hem uitsprak. Uiteindelijk moest de keizer het onderspit delven. Hij moest als verliezer naar het afgelegen kasteel van Canossa trekken om daar de paus ootmoedig om vergeving te vragen. Naar men beweert liet Gregorius hem drie dagen lang blootsvoets in de sneeuw wachten, vooraleer de keizer te ontvangen en de excommunicatie op te heffen.[6]
Maar behalve hevige conflicten met wereldlijke machthebbers heeft het pausdom ook rijkelijk geprofiteerd van haar immorele politieke banden met de staat - en andersom. We zullen daar in de volgende hoofstukken nog voorbeelden van zien. Maar vooral de bewijslast die God zelf tegen de hoer inbrengt, is vernietigend: “De koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd, en de mensen die op aarde leven hebben zich bedronken aan de wijn van haar ontucht” (17.1-2).
De reactie van Johannes
Wat een diepe tragedie, dit schouwspel waarvan Johannes en wij hier getuige zijn. De vrouw, aanvankelijk de trouwe bruid van Christus, is het morele, geestelijke spoor totaal bijster geraakt en in overdrachtelijke zin een hoer geworden. Bovendien is ze niet 'zomaar’ een hoer, maar de grote hoer, ja zelfs de moeder van alle hoeren en van alle gruwelijkheden ter wereld. Geen wonder dat Johannes zéér verbaasd was over alles wat hij zag.[7] Dat de radicale verandering in het leven van de vrouw uit Openbaring 12 Johannes zo aangrijpt, is vanzelfsprekend. Hij wist immers welke hoge verwachtingen Jezus van zijn bruid had, hij kende de instructies en vermaningen die de apostelen haar hadden gegeven. Ja, had hij niet zélf van de Mensenzoon instructies voor de zeven gemeenten ontvangen? Had Jezus niet de ene na de andere vermaand, bemoedigd, beloften gedaan en aangespoord vol te houden tot het einde, om uiteindelijk ‘overwinnaars’ te worden? Hoe kan de bruid dan nu eindigen als ‘verliezer’?
Deel van het grotere geheel
Voor het antwoord op die vraag dienen we ons er opnieuw bewust van te zijn dat de Openbaring deel is van een groter geheel. De bruid die haar Bruidegom verloochent is het werk van de draak “die de hele wereld misleidt” (12.9). Het is een aspect van ‘de grote strijd’ tussen Christus en Satan, tussen goed en kwaad. Maar de draak mag dan wel een aantal veldslagen winnen - zelfs belangrijke - toch is hij uiteindelijk de grote verliezer. Want hoe diep Gods volk in de loop van de geschiedenis ook mag zijn gevallen, er was altijd nog “een rest”. In dit geval is die “rest” dát deel van het nageslacht van de vrouw dat Hem wél trouw blijft. Misschien dat Johannes, nadat hij enigszins van de schrik was bekomen, zich dat ook gerealiseerd zal hebben.
De vijand in eigen gelederen. Dat de ontrouw geworden bruid van Christus haar eigen nageslacht tot de dood toe zal gaan vervolgen, past in een patroon dat we in de Schrift herhaaldelijk tegenkomen. De vijand van trouwe gelovigen is vaak in eigen gelederen te vinden. We geven hiervan een paar voorbeelden uit het nieuw testament. Jezus waarschuwde zijn leerlingen al van tevoren: (1) Ze hebben Mij vervolgd, dus zullen ze ook jullie vervolgen; (2) Zelfs je verwanten en vrienden zullen je uitleveren, en ze zullen sommigen van jullie ter dood laten brengen; (3) De ene broer zal de andere uitleveren om hem te laten doden, en vaders zullen hetzelfde doen met hun kinderen, en kinderen zullen zich tegen hun ouders keren en hen ter dood laten brengen.[8] Ook de apostel Paulus waarschuwde de oudsten van de gemeente te Efeze. Hij sprak waarschuwende woorden tot hen over “grimmige wolven [die] bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet zullen sparen...”[9]
De woorden van Jezus werden al spoedig bewaarheid. Stefanus, Paulus, de apostelen, en zij die door hen tot het geloof kwamen, allemaal hebben ze vijandschap en vervolging door hun eigen volksgenoten aan den lijve ondervonden. Maar het absolute dieptepunt van de diepgewortelde vijandschap tegen God is wel de dood van Jezus zelf. Judas, Zijn eigen leerling, verraadde Hem en leverde Hem over aan de leiders van zijn eigen volk. Zij zijn het die Hem tot de kruisdood hebben laten veroordelen. Vanwaar toch deze satanische haat tegen God en zijn trouwe volgelingen? De apostel Johannes legt in zijn evangelie de wortel van dit kwaad bloot. Hij omschrijft Jezus als het Woord waarin het leven is. En dit leven is “het licht voor de mensen”. Maar zijn eigen volk wilde dit licht niet zien en ze hebben Hem verworpen.[10] In het gesprek met Nicodemus legt Jezus uit waarom de mensen meer hielden van de duisternis dan van het licht: “Wie kwaad doet, haat het licht; hij schuwt het licht omdat anders zijn daden bekend worden.”
Het gevaar voor vervolging schuilt dus onmiskenbaar in mensen uit eigen kring. Als we dit tot ons laten doordringen, kunnen we ook gemakkelijker begrijpen hoe het mogelijk is dat de bruid van Christus kon veranderen in een hoer, die daarna in dienst van de draak “de rest van haar nageslacht” zal gaan vervolgen.
Korte samenvatting
In dit hoofdstuk en enkele voorgaande hebben we veel aandacht besteed aan het vaststellen van de identiteit van de hoofdrolspelers in de dramatische grote strijd tussen God en Satan. Omdat het beest uit de zee tot aan de wederkomst een actieve rol daarin blijft vervullen, hebben we daaraan in het bijzonder veel tijd en aandacht besteed, alsook aan zijn relatie tot de hoer. Om te voorkomen dat we door de bomen het bos niet meer zien, zijn in figuur 11 een aantal markante feiten en ontwikkelingen uit de eerste vijf eeuwen schematisch samengevat. Per periode geven we daarbij een korte toelichting.
± 33 - 313. Dit is het tijdperk van de vrouw uit Openbaring 12, symbool van de bruid van Christus. Deze bruid is de apostolische en vroeg-katholieke kerk. Zij wordt door het heidense Keizerlijke Rome vervolgd.
313 - 380. Dankzij keizer Constantijn komt er met het
Edict van Milaan (313) een einde aan de vervolgingen. De kerk krijgt daardoor de status van
erkende kerk. Nu vangt de fase aan van de vrouw in de woestijn. Deze vrouw begint te ‘flirten’ met de staat en ‘verwereldlijkt’ zienderogen. De bisschop van Rome profileert zich steeds meer als ‘de leider’ van de gehele kerk.
--------------------------------------------------------------
DE STAAT
± 33 – 476 e.v.
----------------------------------------------------------
De staat vervolgt de kerk
Keizerlijke Rome: politiek/heidense macht
Vervolgt de vrouw, de kerk van Christus
--------------------------------------------------------------
De staat erkent de kerk
313 – 380
Keizerlijke Rome wordt politiek/christelijke macht
Niet langer vervolgende macht
Wederzijdse beïnvloeding kerk en staat
----------------------------------------------------------------
Staatskerk
380 – 476
Keizerlijke Rome: nu politiek/christelijke macht
Wederzijdse beïnvloeding kerk en staat
--------------------------------------------------------------
Het Pauselijke Rome: ‘de grote hoer’
476 – heden
Pausdom: politiek/christelijke macht
--------------------------------------------------------------
----------------------------------------------------------------------------
DE KERK
± 33 – 476 e.v.
------------------------------------------------------------------------
De vervolgde kerk: de trouwe bruid
± 33 – 313
Apostolische kerk/’vroeg-katholieke kerk’
Niet ‘zonder vlek of rimpel’
-----------------------------------------------------------------------------
De bruid in verleiding
313 – 380
Nicéa: ‘vroeg-katholieke kerk’ wordt erkende kerk
Einde vervolging
Toenemende invloed van de wereld op de kerk
Bisschop v. Rome: toenemende invloed en macht
-----------------------------------------------------------------------------
De staatskerk
380 – 476
Staatskerk: politiek/christelijk macht
Kerk en staat: onderdrukken alle ‘ketterij’
Verdere verwereldlijking van de kerk
De bruid wordt ontrouwe hoer
Pausdom zoekt steeds meer macht te verkrijgen
-----------------------------------------------------------------------------
Het Pauselijke Rome: ‘de grote hoer’
476 – heden
Beest/hoer: politiek/christelijke macht
Pausdom: politiek/christelijke macht
-----------------------------------------------------------------------------
----------------------------------------------------------------
DE SCHRIFT
± 33 – 476 e.v.
------------------------------------------------------------
De vervolgde kerk: de trouwe bruid
± 33 – 313
Daniël 2: Periode ijzeren benen =
Daniël 7: Periode vierde dier =
Openb. 12: periode draak vervolgt de vrouw
----------------------------------------------------------------
De vrouw in de woestijn
313 – 380
Openb.12: De vrouw: naar de woestijn
----------------------------------------------------------------
De staatskerk
380 – 476
Openb. 17: De vrouw/ hoer bij de zee
De vrouw/hoer: wordt politiek-christelijke macht
----------------------------------------------------------------
‘De grote hoer’ in de woestijn
476 – heden
Openb.13: Opkomst kleine horen/beest uit de zee
Openb.17: beest/hoer vervolgt “de rest”
Pausdom vervolgt “de rest” van nageslacht
van de vrouw
---------------------------------------------------------------
Fig.11: Markante ontwikkelingen in de eerste vijf eeuwen in het licht van de Bijbel
380-476. Door het Edict van Thessaloniki (380) wordt de reeds erkende kerk officieel verheven tot staatskerk. Zij zal voortaan gelden als de enige ware katholieke kerk. Naar het voorbeeld van de bisschoppen Damas van Rome en Petrus van Alexandrië, wordt zij de hoedster van ‘de ware orthodoxe leer’. Alle kerkelijke stromingen die daarvan afwijken, worden als ketters beschouwd en zullen door kerk én staat ter verantwoording worden geroepen. Macht corrumpeert en dientengevolge gaat het met de kerk dan ook moreel snel bergafwaarts.
476-heden. In deze periode verschijnt het beest uit de zee. Het gaat aan land en weet dan “de vrouw” te
verleiden om van haar Bruid afvallig te worden. In haar hoedanigheid van hoer pleegt zij overspel met de koningen van deze wereld. Maar het dieptepunt van haar afvalligheid is dat zij zich zelfs bezondigt aan het bloed van Gods trouwe getuigen hier op aarde.
Naar een eindconclusie
De opkomst en ontwikkeling van het pausdom tot een oppermachtig religieus én politiek instituut is een zeer uitgebreide en veelzijdige geschiedenis. Desondanks kunnen we op basis van de schets die we hierboven van het pausdom hebben gegeven toch tot een verantwoorde conclusie komen wat de relatie betreft tussen het pausdom, de hoer en het politieke aspect van het beest. Aan die conclusie ligt de volgende redenering ten grondslag:
(1) De hoer is een afvallige religieuze macht
(2) Oók het pausdom is een afvallige religieuze macht
(3) Uit (1) en (2) volgt dat pausdom en hoer beide afvallig zijn en daardoor identieke begrippen
(4) Vervolgens is hierboven aangetoond dat het pausdom ook een politieke macht is
(5) Uit de combinatie van (3) en (4) volgt dat de hoer niet alleen een afvallige religieuze macht is maar óók een politieke macht vertegenwoordigt.
Met deze redenering en alle daaraan gerelateerde feiten is aangetoond dat de eindconclusie die we nu kunnen trekken vanuit de Schrift gezien gerechtvaardigd is en door de geschiedenis ook bevestigd wordt.
Eindconclusie
Het pausdom, ofwel de hoer, belichaamt zowel de religieuze als de politieke macht van het beest. Hieruit volgt dat de symboliek van ‘hoer’ en ‘beest’ beide op het pausdom van toepassing zijn.
Resultaat van de verificatie
Uit de studieresultaten van dit hoofdstuk blijkt dat de eindconclusie die we hier konden trekken identiek is aan die uit Hoofstuk XVI. Daarmee is bevestigd dat het pausdom in de visioenen van Johannes wordt gesymboliseerde door zowel de hoer als het beest.
Tot slot
Wij zijn inmiddels vertrouwd met het gegeven dat het beest – c.q. het pausdom - actief zal blijven tot aan de wederkomst van Jezus. In de volgende hoofdstukken zullen we getuige zijn van de huiveringwekkende rol die dit religieus-politieke instituut zal vervullen in de drie resterende fasen van de grote strijd. Tot aan de wederkomst zal “de rest” van het nageslacht van de vrouw daarbij het beoogde doelwit zijn.
[1] De dure purperstof was in de oudheid voorbehouden aan mannen van hoge status. De Romeinse keizer Julius Caesar (c.100-44 v.Chr.) was de eerste Romeinse machthebber die zich als teken van oppergezag in een volledig purperen toga hulde. Vanaf de tijd van Nero droegen alleen de keizers een volledig purperen mantel.
https://www.christipedia.nl/wiki/Purper. Om tijdens de veroordeling van Jezus de spot met Hem te drijven, werd Hem als ‘Koning der Joden’ een purperen mantel omgedaan (Marcus 15.17).
[2] Mogelijkerwijs is er ook een associatie met de “stroom water als een rivier” die de draak uit zijn bek spuwde om de vrouw uit Openbaring 12 om te brengen (12.15).
[3] Caesaropapisme is een situatie waarbij de seculiere autoriteit superieur is aan de spirituele autoriteit van de kerk, dus het staatshoofd is ook het hoofd van de kerk is en de hoogste rechter in religieuze aangelegenheden.
[4] https://clc-library-org-docs.angelfire.com/index.html
[5] https://nl.m.wikipedia.org/wiki/Hoge_middeleeuwen
[6] https://nl.m.wikipedia.org/wiki/Keizer_Hendrik_IV ; https://historiek.net/naar-canossa-gaan/22450/
[7] SV1637: Ende ick verwonderde my, als ickse sagh, met groote verwonderinge; HSV En ik was bovenmate verwonderd toen ik haar zag; GNB: Toen ik haar zag, was ik vol verwondering; NGB51: En ik verbaasde mij, toen ik haar zag, met grote verbazing; WILLIBRORD: Toen ik haar zag, was ik zeer verbaasd; PETRUS CANISIUS: Ik was vol verbazing, toen ik haar zag; BGT Ik was stomverbaasd over wat ik zag; NBV21: Ik was ontzet toen ik haar zag
[8] Respectievelijk Johannes 15.20; Lucas 21.16; Marcus 13:12
[9] Handelingen 20.29-30
[10] Zie Johannes 1.1-11; Johannes 3.16-20