De toekomst in Gods handen

V DE TOEKOMST IN GODS HANDEN

De verzegelde boekrol (4.1-5.14)


Nadat Johannes alles heeft opgeschreven wat de Mensenzoon aan de zeven gemeenten te zeggen had, krijgt hij zijn volgende visioenen. Daarin ziet hij een open deur in de hemel. Dan hoort hij weer die luide stem “als een bazuin” (1.10). Deze keer krijgt hij de opdracht: “Kom hierboven, dan laat ik je zien wat er hierna gebeuren moet” (4.1). Hij krijgt weliswaar nog geen toekomstige gebeurtenissen te zien, maar wel God en het Lam die beiden zeer nauw daarbij betrokken blijken te zijn.


Ere aan God de Schepper (4.1-11)

Als eerste ziet Johannes iemand gezeten op een troon. Rondom de troon bevindt zich een schitterde regenboog “als van smaragd”. Degene die op de troon zit, heeft een uiterlijk als van edelstenen. Verder staan er rond de troon nog vierentwintig tronen. Daarop zitten vierentwintig oudsten in witte kleren en met een gouden krans op hun hoofd. Ook “de zeven geesten van God” zijn aanwezig. Verder ziet Johannes vóór de troon iets als een grote glazen zee. Bij de troon zijn ook nog “vier wezens, die van voren en van achteren een en al oog waren”. Hoe bijzonder dit schouwspel ook is, als Johannes de Schriften kende - en dat was ongetwijfeld het geval - zal hij veel daarvan hebben herkend. Want de profeet Ezechiël had ook al eens een dergelijk visioen gehad.[1] Johannes zal dan ook geen moeite hebben gehad om te beseffen dat hij voor de troon van God stond. Daarin wordt hij bevestigd door de vier wezens, die als lofprijzing, dankzegging en eerbetoon onophoudelijk uitroepen: “Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was, die is en die komt.” In hun lofprijzing vinden ze voortdurend bijval van de vierentwintig oudsten, die zich daarbij telkens neerwerpen “voor hem die op de troon zit, en aanbidden hem die leeft tot in eeuwigheid”. De reden waarom God wordt geëerd en geprezen, is dat hij de Schepper is van alles wat bestaat. De oudsten geven daaraan uitdrukking met deze woorden: “U komt alle lof, eer en macht toe, Heer, onze God, want u hebt alles geschapen: uw wil is de oorsprong van alles wat er is.”


Ere aan het Lam de Verlosser (5.1-14)

Nu wordt de aandacht van Johannes getrokken door een boekrol die God in zijn rechterhand houdt. Hij merkt op dat die “aan beide kanten beschreven was en met zeven zegels was verzegeld.” Niet alleen Johannes heeft die boekrol opgemerkt. Dat weten we vanwege “een machtige engel” die nu voor iedereen duidelijk hoorbaar de vraag stelt: “Wie komt het toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?” Als dan blijkt dat er niemand is “in de hemel of op aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen en inzien”, is duidelijk dat hier iets heel belangrijks aan de orde is. Johannes is zo teleurgesteld dat deze rol door niemand kan worden geopend dat hij letterlijk in tranen uitbarst.


Een van de vierentwintig oudsten komt hem echter troosten. Er blijkt toch iemand te zijn die wél waardig is de rol te openen. Dat is “de leeuw uit de stam Juda, de telg van David” want die “heeft de overwinning behaald, en daarom mag hij de boekrol met de zeven zegels openen”. Dan kijkt Johannes nog eens naar de troon van God. En wat ziet hij dan? “Midden voor de troon, tussen de vier wezens en de oudsten, zag ik een lam staan. Het zag eruit alsof het geslacht was en het had zeven horens en zeven ogen; dat zijn de zeven geesten van God die over de hele wereld zijn uitgestuurd.” Dat lam is het antwoord op de vraag wie waardig was de rol te openen want het “ging naar degene die op de troon zat en ontving de boekrol uit zijn rechterhand.”


Verder krijgt Johannes van de vier wezens en de vierentwintig oudsten te horen waarom dit lam wél in aanmerking kwam om de rol te ontvangen en te mogen openen. Want zij werpen zich nu voor dit lam neer om een lied te zingen ter ere van Hem. Daarbij vertegenwoordigen ze tevens “de heiligen” van wie zij de gebeden als wierook voor hem offeren. Dit is het lied waarmee zij het lam eren:

“U verdient het om de boekrol te ontvangen

en zijn zegels te verbreken.

Want u bent geslacht

en met uw bloed hebt u voor God mensen gekocht

uit alle landen en volken, van elke stam en taal.

U hebt voor onze God uit hen een koninkrijk gevormd

en hen tot priesters gemaakt.

Zij zullen als koningen heersen op aarde.”

 

De boekrol bevat de visioenen over de toekomst

Uit dit lied kunnen we een paar belangrijke conclusies trekken. Ten eerste, met het lam kan niemand anders worden bedoeld dan Jezus. Van hem wordt elders in de Bijbel gezegd dat Hij het Lam van God is dat de zonden van de wereld wegneemt (Joh.1.29). Ten tweede, Jezus mag de boekrol openen omdat Hij met zijn bloed de mensen heeft gekocht, om ze burgers te maken van het koninkrijk van God. Ten derde, deze boekrol is de Openbaring. Jezus mag als enige deze boekrol van God ontvangen en openen. Daardoor kan Hij de toekomst aan Gods dienaren bekend maken. Dat is ook wat Johannes als eerste in zijn verslag vermeldt (1.1). Dat deze boekrol de Openbaring is, blijkt eveneens uit het feit dat Johannes zojuist was gevraagd naar “hierboven” te komen omdat hem daar zou worden getoond “wat er hierna gebeuren moet” (4.1). De volgende hoofdstukken van de Openbaring bevestigen ook de conclusie dat de boekrol de toekomstige gebeurtenissen bevat. Telkens als hierna een van de zeven zegels wordt geopend, krijgen we iets meer over die toekomst te horen en te zien totdat uiteindelijk de gelovigen als koningen zullen heersen op aarde (5.10; 21.5).

 
Kosmische dimensie

Dit visioen bepaalt ons ook bij de kosmische dimensie van de visioenen die Johannes te zien zal krijgen. Wat in de boekrol staat, is niet alleen van belang voor hem en de zeven gemeenten. De impact ervan gaat ver boven onze eigen wereld uit. Heel de kosmos heeft met intense belangstelling toegekeken naar wat Johannes zojuist heeft gezien. Klaarblijkelijk heerst er een enorme opluchting en blijdschap over de afloop van deze gebeurtenis. Niet alleen de vier dieren en vierentwintig oudsten geven blijk van hun blijdschap over de goede afloop, maar ook ontelbaar veel engelen laten van zich horen. Johannes zegt: “Daarna hoorde ik het geluid van een groot aantal engelen rondom de troon, de wezens en de oudsten; het waren er oneindig veel, tienduizend maal tienduizenden, duizend maal duizenden.” Met luide stem eren en prijzen zij het Lam met deze woorden: “Het lam dat geslacht is, komt alle macht, rijkdom en wijsheid toe, en alle kracht, eer, lof en dank.”


De blijdschap en lofprijzing kennen geen grenzen. “Elk schepsel in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee, alles en iedereen” sluit zich bij dit eerbetoon aan. Hun lof en dank betreft zowel God, die op de troon gezeten is, als het Lam dat voor hem staat. Johannes hoort ze zeggen: “Aan hem die op de troon zit en aan het lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid.” De vier wezens bevestigen deze lofprijzing met een “Amen” en “de oudsten wierpen zich in aanbidding neer.”


Tot slot

Johannes heeft nu twee visioenen gezien. In het eerste manifesteerde de Mensenzoon zich als degene die de dood heeft overwonnen en de sleutels heeft van de dood en van het dodenrijk (1.18). Dat visioen moet zeer bemoedigend zijn geweest voor de zeven gemeenten en hen hebben geholpen om hun leven in overeenstemming te brengen met Gods wil, en in geval van verdrukking te kunnen standhouden. In het tweede visioen wordt de horizon verbreed. God is niet alleen betrokken bij de zeven gemeenten maar bij heel het wereldgebeuren. In beide gevallen is de centrale plaats en rol in alles aan Jezus toebedeeld. De toekomst ligt in de handen van God de Schepper en van Jezus de Verlosser. Daarom kunnen Johannes en alle lezers van de Openbaring de toekomst vol vertrouwen tegemoet zien. En die zal zich ontvouwen wanneer het Lam het ene na het andere van de zeven zegels opent.


 
[1] Ezechiël 1.26-28


Vorig hoofdstuk

Volgend Hoofdstuk

Share by: