VI SERIE A: DE EERSTE ZES ZEGELS - VERKENNING
Overzicht en oudere interpretaties (6.1-7.17)
In het vorige hoofdstuk had God de boekrol met betrekking tot de toekomst in zijn rechterhand. Dat zou ons moeten herinneren aan het visioen van de Mensenzoon. Hij had de zeven “engelen” (dienaren) van de gemeenten ook in zijn rechterhand. Dat was een teken dat Hij hun welzijn en dat van de zeven gemeenten op het oog had. Het lijkt dan ook verantwoord een vergelijkbare conclusie te trekken wat deze boekrol aangaat. Van die rol ging dus geen dreiging uit, maar juist de zekerheid dat God en het Lam de regie hebben over alles wat nog staat te gebeuren. Dat blijkt vooral uit het feit dat alléén Jezus de zegels mag openen en de komende gebeurtenissen ‘in gang zetten’. Want Hij is het Lam dat hen heeft gekocht met zijn bloed, waardoor zij straks priesters voor God mogen zijn en als koningen zullen heersen op aarde (5.11). Ook al staan de gelovigen nog zware tijden te wachten, voor hen zal het ‘eind goed, al goed’ zijn.
OVERZICHT VAN DE TEKST
Bij de presentatie van de boekrol heerste blijdschap in de hemel. Maar als de zegels worden geopend, lijkt er op het eerste gezicht op aarde weinig reden tot vreugde. Want de volgende taferelen ontvouwen zich voor het oog van Johannes.
De eerste zes zegels (6.1-7.17)
Het eerste zegel (6:1-2) De eerste ruiter heeft een boog en rijdt op een wit paard. Hij ontvangt een zegekroon en trekt erop uit om te overwinnen. We hebben er echter geen idee van wie hij is, wie hem de kroon geeft en wie overwonnen worden.
Het tweede zegel (6:3-4) Dan ziet Johannes een tweede ruiter, nu op een rossig paard. Hem wordt een groot zwaard gegeven en hij neemt de vrede weg van de aarde: de ene mens vermoordt de andere. Ook bij dit zegel weten we nog niet wie die ruiter is en wie nu precies worden vermoord of de moordenaars zijn.
Het derde zegel (6:5-6) De derde ruiter berijdt een zwart paard. Hij heeft een weegschaal in zijn hand. Johannes hoort een stem en uit wat wordt gezegd, blijkt dat hier schaarste wordt uitgebeeld. Nog steeds is niet echt duidelijk waarvan we hier getuige zijn.
Het vierde zegel (6:7-8) De vierde en laatste ruiter zit op een vaal paard. Van deze ruiter wordt wél gezegd wie hij is. Hij is de Dood en het dodenrijk volgt hem op de voet. Hun wordt macht gegeven om door middel van het zwaard, honger, de zwarte dood en de wilde dieren een vierde deel van de aarde te doden. Maar nog steeds weten we niet wie de andere drie ruiters zijn en hun slachtoffers.
Het vijfde zegel (6:9-11) Pas bij het vijfde zegel komt aan het licht wie de daders en slachtoffers zijn. De daders zijn “hen, die op de aarde wonen.” De slachtoffers zijn door hen van het leven beroofd “om het woord van God en om het getuigenis dat zij hadden.” Zij roepen nu tot God om recht en gerechtigheid. In antwoord daarop krijgen ze witte kleren, maar verder moeten ze nog “een korte tijd” geduld hebben. Eerst moet het getal van de slachtoffers “vol” zijn en dan pas zal Gods oordeel plaatsvinden.
Het zesde zegel (6:12-17)
Dat oordeel wordt onder het zesde zegel aangekondigd. Als teken dat het komt, vinden bijzondere tekenen plaats. En zij “die op de aarde wonen”, weten dan niet meer waar ze het moeten zoeken. Ze realiseren zich dat ze in wezen tegen God en het Lam hebben gestreden en wat hen daarom nu boven het hoofd hangt. In doodsangst roepen ze uit dat “de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?”
Eerste intermezzo (7.1-17)
Voordat Johannes getuige mag zijn van de aangekondigde oordeelsdag, krijgt hij twee tussenvisioenen te zien.
1) De verzegeling van de 144.000 (7.1-8)
In dit visioen krijgt hij het antwoord op de vraag wie “de grote dag van hun toorn” kan doorstaan. We horen een engel zeggen dat eerst de “knechten van onze God” verzegeld moeten worden. Die worden voorgesteld door de twaalf stammen van Israël, hier bij name genoemd. Elke stam wordt niet door slechts één persoon vertegenwoordigd en ook niet door twaalf, maar door duizendmaal twaalf. Zij worden verzegeld met “het zegel van de levende God”. Daardoor zullen zij niet omkomen als zo meteen Gods oordeelswinden over de aarde gaan waaien.
2) De onafzienbare menigte voor de troon (7.9-17)
Vervolgens ziet Johannes “een onafzienbare menigte” voor de troon van God staan. Zij komen uit “de grote verschrikkingen.” Maar het leed is nu geleden, want “God zal alle tranen uit hun ogen wissen”. En deze menigte weet aan wie ze alles te danken hebben: “De redding komt van onze God die op de troon zit en van het lam!” roepen ze luidkeels. We kunnen het voorgaande als volgt schematisch samenvatten:
---------------------------------------------------------
SERIE A: DE VERZEGELDE BOEKROL
Inleiding
(hoofdstuk 4 en 5)
God de Schepper: de verzegelde boekrol
Het Lam de Verlosser: “waardig te openen”
----------------------------------------------------------------
DE EERSTE ZES ZEGELS
(6.1 -7.17)
Zegels 1-4
VERVOLGING
I: Ruiter op wit paard
II: Ruiter op rossig paard
III: Ruiter op zwart paard
IV: Ruiter op vaal paard
Zegels 5-6
WAARSCHUWING
V: “Hoelang … tot oordeel?”
VI: Tekenen van het oordeel
“Wie kan bestaan?”
1e intermezzo
144.000 verzegelden (veilig op aarde)
Grote schare (veilig in de hemel)
--------------------------------------------------------------
Fig.4 Serie A: De eerste zes zegels
DIVERSE INTERPRETATIES UIT HET VERLEDEN
Wie een aantal Bijbelcommentaren raadpleegt over de uitleg van de zegels, zal ongetwijfeld verbaasd staan kijken hoe vaak deze onderling niet alleen verschillen maar ook tegenstrijdig zijn. Het is niet de bedoeling van deze studie om daarvan een uitgebreid overzicht te geven, maar laten we toch een paar voorbeelden aanhalen.
Hoewel er in de tweede en derde eeuw zeker belangstelling voor de
Openbaring bestond, wordt het eerste volledige systematische commentaar op de
Apocalyps toegeschreven aan Victorinus (overl. circa 304). In theologische kringen is hij vooral bekend vanwege zijn opvatting dat er in de visioenen van Johannes sprake is van een
patroon van herhalingen. Vervolgens begonnen latere Bijbelverklaarders, geïnspireerd door hetzelfde concept, de zeven gemeenten te zien als zeven opeenvolgende perioden uit de kerkgeschiedenis, vanaf Johannes tot aan het einde der tijden. De zegels, bazuinen en schalen zouden een soort herhaling daarvan zijn, maar dan gezien vanuit een ander perspectief. Daarbij ontstond in de loop der geschiedenis een aanzienlijk aantal varianten op het patroon van Victorinus.
Uit de Middeleeuwen kunnen we Berengaud (waarschijnlijk eind 9e eeuw) nemen als voorbeeld van een bijzondere variant. Hij meent dat de perioden van de zegels al bij de schepping aanvangen. Het 1e zegel zou de periode vóór de zondvloed voorstellen (i.p.v. de zegetocht van het evangelie, de toenmaals gangbare interpretatie). Het 2e zegel betreft de periode vanaf de zondvloed tot Mozes. Het 3e vanaf Mozes tot de geboorte van Christus. Maar zijn merkwaardigste verklaring is wel die van het 4e zegel: daarin zag hij massa’s mensen, doodsbleek van angst vanwege de onheilsprofetieën, als vervulling van het vaalbleke paard. Het 5e zegel gaat dan over de martelaren uit de beginperiode van het christendom en het 6e over de verwoesting van Jeruzalem. Hoe een dergelijke uitleg te rijmen valt met ‘wat er spoedig moet gebeuren’ gezien vanaf de tijd van Johannes (c.95 ná Chr.), is dan toch wel de vraag die ongetwijfeld bij de lezer opkomt. Een realistischer voorbeeld van interpretatie uit deze periode is van Richard of St Victor (overleden 1173). Hij ziet in de Openbaring een patroon van vijf herhalingen: de zeven gemeenten, de zeven zegels, de zeven bazuinen, de vrouw en de draak, en als laatste de zeven schalen met plagen. Joachim van Fiore (1135-1202), ook een belangrijke theoloog uit de middeleeuwen, interpreteerde de eerste vier zegels als volgt: het witte paard was een beeld van de vroege Kerk en de ruiter was Christus die de zegetocht van het evangelie bewerkte. Het rode paard stond voor de heidense Romeinse priesters, of eventueel de duivel of de Romeinse keizers en zijn ruiter verbeeldde de martelaren. Het zwarte paard en zijn ruiter had betrekking op het Arianisme (ketterij) en het vale paard was een symbool van de Saracenen (moslimgevaar) en de ruiter op dit paard was Mohammed. Bij deze interpretatie moeten we in ogenschouw nemen dat dit de periode was van de grote kruistochten (1096-1271) die o.a. als doel hadden de christelijke heilige plaatsen in Palestina weer terug te veroveren op de Islam. Nicholas de Lyra (circa 1340) zag in de Openbaring overwegend Saracenen, Byzantijnen en Turken. Mohammed was volgens hem de valse profeet. Net als de meeste commentatoren uit die tijd denkt ook hij dat de Antichrist zal verschijnen tegen het einde van de wereld. Ook Maarten Luther (1483-1546) had een duidelijke mening over de rol van de Islam in de profetieën van de Openbaring.
De opkomst en verspreiding van de Islam heeft bij veel commentatoren een aanzienlijke impact gehad op hun verklaring van de Openbaring. Dit geldt vooral voor de uitleg van de bazuinen. Dat is niet verwonderlijk want het Ottomaanse Rijk vormde al geruime tijd een bedreiging voor het christelijke Europa. In het begin van de zestiende eeuw hadden de Turken zelfs de hele Balkan al veroverd. In 1529 deden ze zelfs een poging om Wenen in te nemen. De Ottomanen stonden voor de laatste keer voor de poorten van Wenen in 1683. Pas in 1922 kwam er een einde aan dit rijk. Maar anderzijds waren er ook heel wat commentatoren die in de zegels een voorzegging zagen van de komst van de Antichrist en niet van de Islam.
Naarmate de Hervorming vaster voet aan de grond kreeg, werden Rome en het pausdom steeds vaker gezien als de Antichrist, ofwel het beest uit Openbaring 13. Ter ontkrachting van die protestantse visie werden rond die tijd twee andere interpretatiemodellen voor de uitleg van de profetieën gepropageerd: het preterisme en het futurisme.[1] De drijvende kracht achter de preteristische interpretatie was de Jezuïet Luis de Alcasar (1554–1613). Volgens hem zijn de gebeurtenissen uit Openbaring al grotendeels vervuld rond 70 na Christus, bij de val van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel. Het futurisme stelt dat de vervulling van de profetieën uit Openbaring nog bijna geheel in de toekomst ligt. Deze uitleg gaat in principe terug tot de vroege kerkvaders, maar werd in de zestiende eeuw nieuw leven ingeblazen. Ook dit was het werk van Jezuïeten, met name Francisco Ribera (1537-1591) en twee eeuwen later Manuel Lacunza (1731-1801). Maar van Protestantse zijde liet niet iedereen zich de mond snoeren. Zo betoogde Campegius Vitringa (1659-1722) dat alle voorspoed en tegenspoed die de kerk van Christus moet meemaken, gedurende het tijdperk van Johannes tot de wederkomst, gesymboliseerd wordt door de zeven gemeenten, de zeven zegels, de zeven bazuinen en de zeven schalen. Alle vier zeventallen zouden betrekking hebben op hetzelfde tijdperk. Volgens deze theoloog beelden de bazuinen Gods oordelen uit over de vervolgers van de kerk: de eerste vijf gaan over het heidense Rome en haar opvolgers, de zesde en zevende betreft het pauselijk Rome. Uit de zevende bazuin komen dan de zeven schalen met plagen voort, die de laatste oordelen brengen over het corrupte christelijke Rome.
De 18e en 19e eeuw. Nog tot zeker halverwege de negentiende eeuw speelden zowel de ondergang van het Romeinse Rijk alsook de Islam een belangrijke rol bij verklaringen van de Openbaring. Louis Gaussen (1790-1863) beschouwde de zeven zegels als “de opeenvolgende gebeurtenissen vanaf het Romeinse rijk ten tijde van Johannes tot aan het einde van alle dingen.” Het zevende bestaat uit de zeven bazuinen en die periode begint omstreeks 400 na Christus. De vervulling van de eerste vier bazuinen past hij toe op het Westen: de ‘barbaarse’ volken die het Romeinse Rijk te gronde richtten: Alaric (Goten), Geiseric (Vandalen), Attila (Hunnen) en Odoacer (Herulen). De vijfde en zesde bazuin hebben betrekking op het oostelijke deel van het Romeinse rijk: de vijfde doelt op de Saracenen uit Arabië, die zich verspreidden als sprinkhanen (612- 672). De Turken ziet hij als de vervulling van de zesde bazuin die de periode omvat van 1057 tot de verwoesting van Constantinopel in 1453.
De Franse Revolutie (1789-1799) was een andere indrukwekkende gebeurtenis met een aanzienlijke impact op de verklaring van de Openbaring. De Revolutie bracht niet alleen grote sociale en politieke omwentelingen, maar maakte ook een einde aan de eeuwenlange enorme politieke macht en invloed van het pausdom. Paus Pius VI werd gevangen genomen en het rooms-katholieke geloof moest plaats maken voor atheïsme, humanisme en de rede. Daarmee was de absolute macht van Rome gebroken. Althans voor enige tijd. Rond die tijd was ook het eens zo machtige Ottomaanse Rijk definitief in verval geraakt. Het brokkelde af als gevolg van interne spanningen en buitenlandse bemoeienissen. Dat verval zou doorzetten en het eens zo machtige rijk werd ‘de zieke man aan de Bosporus’. Na de Eerste Wereldoorlog werd het uiteindelijk verdeeld.[2] Daarmee was ook de macht van de Islam aanzienlijk beknot. Deze ingrijpende historische ontwikkelingen hadden grote invloed op de verklaringen van de Openbaring, in het bijzonder op de rampen van de vijfde en zesde bazuin.
Begin 20e eeuw tot heden. De meeste Bijbelverklaarders uit deze periode staan veel gereserveerder tegenover die verklaringen uit de 18e en 19e eeuw (en daarvoor). De zegels worden dan vooral geïnterpreteerd als allerlei rampen die komen als straffen van Godswege óf dat het kwaad zichzelf straft. Met dat laatste wordt bedoeld dat de mens deze straffen over zichzelf afroept omdat hij de morele wetten van God overtreedt.[3] Maar vooral de meningen over het eerste zegel zijn sterk verdeeld. Stelt deze ruiter op het witte paard nu Christus of de evangelieverkondiging voor[4] óf is die ruiter juist een symbool voor Satan/de antichrist/boze machten?[5] Verder valt het op dat de zeven gemeenten en de zeven zegels steeds minder vaak worden geïnterpreteerd als symbolen voor zeven opeenvolgende, chronologisch afgebakende perioden uit de kerkgeschiedenis.
Leren van het verleden
Al uit het zeer beperkte aantal voorbeelden hierboven blijkt overduidelijk dat er zoveel verschillende interpretaties van de Openbaring zijn dat de lezer zich wel bijna vertwijfeld moet gaan afvragen welke verklaring dan toch wel de juiste kan zijn. Het zou zeer zeker interessant zijn om na te gaan hoe men toch tot al die verschillende en vaak tegenstrijdige interpretaties is gekomen. Maar voor ons doel is het zinvoller om uit die grote verscheidenheid enkele conclusies te trekken waarmee we ons voordeel kunnen doen als wijzelf op zoek gaan naar de betekenis van de Openbaring.
De volgende conclusies kunnen bij onze eigen zoektocht dienen als belangrijke aandachtspunten:
1) Lever je dan niet over aan de gangbare visie(s) uit een bepaalde periode, en evenmin aan die van enkele willekeurige, invloedrijke commentatoren
2) Vergelijk verschillende visies met elkaar: zijn ze aanvullend of tegenstrijdig?
3) Komt een bepaalde interpretatie overeen met de Schrift als geheel, of is er sprake van tegenstrijdigheden?
Maar de allerbelangrijkste les die we uit al het voorgaande kunnen leren en steeds weer voor ogen moeten houden, is wel deze:
“Inspiratie is Gods werk – alle interpretatie is mensenwerk”
In het volgende hoofdstuk zullen we, met deze conclusies in gedachten, commentaar leveren op de eerste zes zegels.
[1] Zie Appendix A : Vier interpretatiemodellen
[2] https://isgeschiedenis.nl/longreads/de-ondergang-van-het-ottomaanse-rijk-en-de-deling-van-het-midden-oosten
[3] Massyngberde Ford, p.104; Metzger, p.55; Morris, p.100; Preston and Hanson, p.79
[4] Bijbel met kanttekeningen, p.437; Bremmer, p.42; Expositor’s Bible: Rev.6.2; Greijdanus, p.116; Ladd, p.97-98
[5] Billy Graham, p.90; Morris, p.101; Michael, p.100-101; Pohl, Vol.1, p.193-194; Wilcock, p.74