Waarom overkomt dit het uitverkoren volk van God? In 2 Kronieken 36: 14 – 16 lezen we de reden: De grote gruweldaden van het volk in plaats van evangelisatie en verering van God.
Maar we hebben een genadig God. In Jeremia 29: 10 – 14 lezen we: Want zo zegt de HEERE: Voorzeker, pas wanneer zeventig jaren in Babel voorbij zijn, zal Ik naar u omzien en over u Mijn goede woord gestand doen, door u terug te brengen naar deze plaats. 11 Ik immers, Ik ken de gedachten die Ik over u koester, spreekt de HEERE. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad, namelijk om u toekomst en hoop te geven. 12 Dan zult u Mij aanroepen en heengaan, u zult tot Mij bidden en Ik zal naar u luisteren. 13 U zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar Mij zult vragen met heel uw hart. 14 Ik zal door u gevonden worden, spreekt de HEERE, Ik zal een omkeer brengen in uw gevangenschap en u bijeenbrengen uit alle volken en uit alle plaatsen waarheen Ik u verdreven heb, spreekt de HEERE, en Ik zal u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb gevoerd.
God geeft aan dat Hij het volk zal terugbrengen naar hun land omdat zij Hem gaan zoeken en God zich dan ook laat vinden.
Nebukadnezar heeft het beste deel van het volk meegenomen naar zijn land. In Daniël 1: 3, 4 lezen we dan ook dat Daniël één van de bannelingen is uit het koninklijk geslacht en de edelen. Hij heeft dus van nabij de regering meegemaakt van Koning Josia. Dit was één van de weinige koningen die recht wandelde in de leer van God. Onder zijn regering is de boekrol van Mozes teruggevonden en de koning liet die aan het volk voorlezen. Daarna handelde hij zoals voorgeschreven in de boekrol. We lezen verder dat de koning Nebucadnezar Daniël met zijn vrienden uitkiest en verdere scholing en in zijn ogen goede voeding geeft. Echter Daniël weigert deze voeding, met hoogstwaarschijnlijk onrein eten, geofferd aan hun goden en alcohol, en vraagt om eenvoudig eten en water. Het staat in schril contrast met het dieet dat God gegeven heeft in het Paradijs. In vers 8 neemt Daniël zich in zijn hart dan ook voor zich niet met het voedsel van de Koning te verontreinigen.
We zien hier al een thema dat verder in Daniël en ook in het boek Openbaring sterk naar voren komt, namelijk dat de koning het op werelds gebied voor het zeggen heeft en gehoorzaamd moet worden, maar niet op geestelijk gebied. Een scheiding van kerk en staat.
Dit wordt toegestaan en Daniël en zijn vrienden blijken tien keer wijzer te zijn dan de magiërs en bezweerders van het koninkrijk.
Door de Babylonische scholing hoopte de koning een verandering in denken bij de vier vrienden te bewerkstelligen, maar zij laten zich niet ompraten. Dit tot grote woede van de wijzen van Babylon zoals verder in het verhaal nog tot uiting komt.
Het thema van het boek Daniël is dat van herstel. Herstel van het koninkrijk, het koningschap, het heiligdom en verlossing uit de ballingschap. Dit is niet enkel een profetie voor het volk Israël maar ook voor Gods volk in de eindtijd.
De koning verandert ook de namen van Daniël en zijn vrienden.
Daniël = God van oordeel of wie is mijn rechter, wordt Beltsazar = de wachter van de verborgen schatten van Bel.
Hananja = de Heer is genadig, wordt Sadrak = inspiratie van de zon.
Misaël = Zoals God, wordt Mesak = dienaar van de godin Sheba.
Azarja = De Heer is mijn helper, wordt Abednego = dienaar van Nebo.
Die naamsverandering doet hij niet zonder reden. In hoofdstuk 4: 8 lezen wij: Daniël - zijn naam is Beltsazar naar de naam van mijn God, maar zelfs de koningin noemt hem in hfd 5: 12 Daniël, hoewel zij weet dat het de koning is die de namen veranderd heeft. En in hoofdstuk 4: 8 is het de koning zelf die hem Daniël noemt.
Wat kunnen gelovigen in deze tijd, de eindtijd, leren van dit hoofdstuk.
Zij zullen de wijn en het eten niet nemen van Babylon. Wijn is de valse leer van Babylon (Op. 18: 2, 3), en de leer van Jezus is het voedsel van de gelovigen (Joh. 4: 34, 6: 51 - 58 en 63; Jes. 55: 2, 10-11). Daarbij nemen de gezondheidsregels een belangrijke plaats in
Zij weigeren de naam van het beest aan te nemen (Op. 13: 17; 15: 2-4) maar hebben de naam van God de Vader (Op. 14: 1).
Zij zullen niet terugdeinzen voor de valse god, ondanks dat zij een kleine minderheid zijn, maar vertrouwen dat God hen zal uitredden, omdat Hij Koning der koningen en Heer der heren (Op. 13: 4; 17: 14; Dan. 12: 1).
Zij zullen zich niet laten hersenspoelen door de valse theorieën en tradities van Babylon.