Galaten

WET EN EVANGELIE IN DE BRIEF AAN DE GALATEN

 

Achtergrond van de brief aan de Galaten

Het probleem dat in deze brief aan de orde wordt gesteld, is de relatie tussen ‘het houden van de wet’ en ‘de boodschap van het evangelie’. Dit blijkt voor de gemeenten in Galatië een levensgroot probleem te zijn geworden.


In de vroegchristelijke kerk hebben we enerzijds te maken met de evangelieverkondiging door de apostelen. Zij predikten het evangelie zonder daarbij radicaal afstand te nemen van de joodse leefwijze. Die werd voornamelijk bepaald door de voorschriften van ‘de wet’ van Mozes, waarbij de besnijdenis een heel belangrijke verplichting was. Anderzijds hebben we Paulus. Na zijn bekering werd hij door God zelf onderricht over het evangelie dat hij aan de heidenen moest gaan brengen. Dat evangelie had hij aan de Galaten gebracht. Zijn verkondiging bleek vrij te zijn van de voorschriften van de joodse wet. Daarom was van hen niet geëist dat zij zich moesten laten besnijden. Maar na Paulus waren bepaalde ijveraars voor de wet hen komen opzoeken. Die hadden onder de gelovigen in Galatïe verwarring hierover gesticht. Het is dit probleem dat Paulus hier aan de orde stelt .


De grote vraag: rechtvaardiging door ‘wet én evangelie’ of door ‘alleen evangelie’?

Aan het begin van zijn brief aan de Galaten benadrukt Paulus dat het evangelie dat hij verkondigt niet op eigen gezag berust - en evenmin op dat van de apostelen. Nee, het is God zelf die hem dat heeft geopenbaard en de verkondiging ervan heeft toevertrouwd (1.15-17).

 

Vele jaren na zijn bekering gaat Paulus op bezoek bij de voornaamste joodse broeders in Jeruzalem. Dan blijkt dat zij volledig instemmen met het evangelie dat hij onder de heidenen verkondigt, dat wil zeggen, het evangelie waarbij geen enkele verplichting volgens de Joodse wet van de bekeerlingen wordt verlangd. Zo eisten de broeders ook niet dat Titus, de van oorsprong heidense metgezel van Paulus, zich moest laten besnijden. Alleen een paar “schijnbroeders” probeerden de metgezellen van Paulus daartoe te verplichten. Paulus ziet dat als een beroving van hun vrijheid in Jezus (vgl. 5.2-3). Hij benadrukt dat de aanzienlijkste broeders hebben hem tot niets van dien aard hebben verplicht en hem juist de broederhand hebben toegestoken (2.3- 10). Desondanks bezwijkt de apostel Petrus enige tijd later (wanneer hij in Antiochië is) toch nog onder de druk van een aantal joodse besnedenen, die ijveraars voor de wet waren gebleven. Vóór hun komst at hij gewoon mee met de heiden-christenen, maar toen zij kwamen, trok hij zich van zijn heiden-broeders terug. Paulus stelt dat dit huichelarij is en hij berispt Petrus en enkele anderen openlijk daarover (2.11-14).


Vanaf hoofdstuk 2.15 gaat Paulus uitgebreid in op de relatie tussen ‘de wet’ en geloof. Een fundamenteel gegeven daarbij is dat volgens Paulus iedereen, zowel jood als heiden, zich er bewust van moet zijn dat niemand rechtvaardig kan worden verklaard door de wet na te leven (want dat lukt niemand). Rechtvaardigheid voor God kan alléén worden verkregen door geloof in Jezus Christus (2.15-16; 3.10-11). Hij neemt Abraham als voorbeeld van ‘rechtvaardigheid door het geloof’. Abraham geloofde Gods belofte van een ‘nakomeling’ en dat geloof werd hem als rechtvaardigheid toegerekend. Die ‘nakomeling’ had betrekking op Christus (3.16). Door Hem werd de belofte aan Abraham vervuld (3.8) dat in hem alle volken zouden worden gezegend. Die zegen bestaat hierin dat Christus de vloek van de wet op zich heeft genomen. Deze vloek (d.i. de doodstraf) treft iedereen, omdat zowel Joden als heidenen schuldig staan tegenover God. Maar “God had de wereld zo lief dat Hij zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft” (Joh.3.16).


Waarom gaf God dan 430 jaar later toch nog de wet? Om onze overtredingen “aan het licht te brengen”, is de verklaring die Paulus daarvoor geeft. Dit betekent niet dat de wet in strijd is met de belofte. Integendeel, de wet was bedoeld om ons ertoe te brengen uit te zien naar de belofte, dat is de komst van Jezus Christus, de beoogde ‘nakomeling’ van Abraham. Om gerechtvaardigd te worden, kunnen de gelovigen nu hun geloof vestigen op Hem. Vóór die tijd was alles anders. Toen werd gehoorzaamheid aan de wet van de joden gevraagd - maar het bleek dat ze daaraan niet konden voldoen. “Voordat dit geloof kwam, werden we door de wet bewaakt; we leefden in gevangenschap tot het geloof geopenbaard zou worden. Maar nu het geloof gekomen is ….. bent u allen kinderen van God, in Christus Jezus”. Ze zijn nu “nakomelingen van Abraham geworden, erfgenamen volgens de belofte” (3.23-29). Anders geformuleerd: “Maar toen de bestemde tijd gekomen was, zond God zijn Zoon, geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet, om ons die aan de wet onderworpen waren, vrij te kopen opdat wij als kind aangenomen zouden worden…. U bent nu dus geen slaven meer, maar kinderen en als zodanig erfgenamen, dankzij God” (4.4-7).


Het belang van de komst van Jezus Christus is dus dat “de belofte kon worden gegeven op grond van geloof in Jezus Christus, aan wie op Hem vertrouwen” (3.22). Paulus verbaast zich er dan ook over dat de Galaten hun bevoorrechte positie hebben opgegeven. In plaats van zich te houden aan het evangelie van de vrijheid in Christus (dat hij hen had gebracht), hebben ze zich overgeven aan een vals en verdraaid evangelie (dat van de Joden die hen weer aan de wet hebben onderworpen). De Galaten hadden zich toch nog laten besnijden. Paulus verwijt hen dat ze daarmee een fundamenteel verkeerde beslissing hebben genomen. Met deze woorden maakt hij hen de kern van heel zijn betoog duidelijk:


“Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houd dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen. Luister naar wat ik, Paulus, tegen u zeg: als u zich laat besnijden, zal Christus u niets baten. Nogmaals, ik verzeker u dat iedereen die zich laat besnijden verplicht is om de hele wet na te leven. Als u probeert rechtvaardig verklaard te worden door de wet na te leven, bent u van Christus losgemaakt en hebt u Gods genade verspeeld. Want door de Geest hopen en verwachten wij dat we op grond van geloof rechtvaardig verklaard worden.” (5.1-5)


Het moge duidelijk zijn dat ‘de wet’ waarover Paulus in Galaten spreekt, niet de wet van de Tien Geboden betreft. Het gaat hier over de wet van Mozes, die God hem op de Sinaï heeft gegeven. Dat blijkt uit minstens twee gegevens die we in deze brief aan de Galaten vinden. Ten eerste, het twistpunt waarom het voornamelijk gaat, is de besnijdenis. Die heeft niets met de Tien Geboden te maken, maar is wél een heel belangrijk gegeven uit de wet van Mozes. Het tweede gegeven is dat het samen met heidenen een maaltijd nuttigen. Dat ging in tegen de Joodse gebruiken. Dit gebruik is een joodse interpretatie van de wet van Mozes. Ook dit heeft dus niet te maken met de voorschriften van de Tien Geboden.


Er is bovendien nog een indirect argument dat ervoor pleit om ‘de wet’ op te vatten als de wet van Mozes. In Galaten 5.3 stelt Paulus dat wanneer je als christen-gelovige vindt dat je besneden moet worden, dat je dan verplicht bent je aan de hele wet (van Mozes) te houden. Zijn redenering is: Vind je dat je je aan één gebod van een wet moet houden? Dan geldt dat voor alle geboden van die wet. Nu weten we uit Handelingen dat Paulus de gewoonte had om op de sabbat naar de synagoge te gaan. Bijvoorbeeld, in Korinte sprak hij daar elke sabbat (18.4) en in Efeze ging hij “regelmatig naar de synagoge” (19.8). Dit impliceert dat Paulus zich hield aan het vierde van de Tien Geboden. Gezien zijn redenering van ‘één gebod? – dan ook alle geboden!’ zal hij zich ongetwijfeld ook aan alle Tien Geboden hebben gehouden. Het zou dan ook ondenkbaar zijn dat Paulus in deze brief de Tien Geboden aan de kant zou willen schuiven. Ook deze redenering sluit dus uit dat hij de gelovigen in Galatïe berispt zou hebben dat ze zich aan de Tien Geboden houden.


Conclusie

Het is boven alle twijfel verheven dat ‘de wet’ in de Galatenbrief betrekking heeft op de wet van Mozes. De kern van zijn hele betoog is de bevrijdende werking van het evangelie. Wie daarbij toch nog wil vasthouden aan de wet van Mozes, kan niet worden verlost van de slavernij van de zonde.

Share by: