DE SABBAT
De genadige Schepper rustte, na de zes scheppingsdagen, op de zevende dag. Hij stelde de sabbat, de zaterdag voor ons, in voor alle mensen als een gedenkteken van de schepping. Het vierde gebod van Gods onveranderlijke wet vraagt om de viering van de sabbat (de zevende dag) als de dag van rust, aanbidding en dienstbaarheid. Dit is in overeenstemming met het onderwijs en de gewoonte van Jezus, de Heer van de sabbat. De sabbat is een dag van vreugdevol omgaan met God en de naaste. Deze dag is een symbool van onze redding in Christus, een teken van onze heiliging, een bewijs van onze trouw en een voorproef van onze eeuwige toekomst in Gods koninkrijk. De sabbat is Gods altijddurende teken van het eeuwig verbond tussen hem en zijn volk. Het vreugdevol waarnemen van deze heilige tijd, van avond tot avond, van zonsondergang tot zonsondergang, is een viering van Gods scheppend en r reddend handelen.
(Genesis 2:1–3; Exodus 20:8–11; 31:13–17; Leviticus 23:32; Deuteronomium. 5:12–15; Jesaja 56:5, 6; 58:13, 14; Ezechiël 20:12, 20; Matteüs 12:1–12; Marcus 1:32; Lucas 4:16; Hebreeën 4:1–11.)
Als u zich verder wil verdiepen in wat de bijbel over de sabbat leert volgt hieronder een beknopte studie over de sabbat of zondag als rustdag.
Sabbat of zondag
Als je het over de sabbat hebt, dan volgt gelijk de discussie waarom de sabbat en niet de zondag? wij geloven dat het nog steeds belangrijk is om de sabbat te houden, en wel om de volgende redenen.
Ten eerste is de sabbat een instelling van God. In zes dagen is de wereld geschapen en, Gen. 2: 1-3, God rustte op de zevende dag, zegende en heiligde die dag. Er rust dus een zegen op.
In Ex 16: 4,5 en 14-36 lezen we al dat voor de wetgeving op de Sinaï er al een sabbatsrust was. Tijdens de slavernij in Egypte was het volk verleerd dat de sabbat belangrijk was en in de uittocht in de woestijn werd hier weer op gehamerd. Dit komt goed naar voren in de bepaling van geen manna rapen op de sabbat.
Tijdens diezelfde uittocht in de woestijn kreeg deze instelling vorm in de tien geboden die God toen via Mozes aan Zijn volk gaf. Ex. 20: 8-11, 31: 12-18, Deut. 5: 12-15 Het sabbatgebod in de tien geboden.
Deze tien geboden moeten vooral gezien worden als goede raadgevingen aan de mensen hoe zij goed en vreedzaam met elkaar kunnen leven. Regeringen stellen ook niet voor niets wetgeving op. God stelt dat het houden van de tien geboden een grote zegen inhoudt. De geschiedenis van het Joodse volk leert dan ook dat als zij hier van afweken rampspoed over het land kwam. Jes. 58: 13-14: De zegen van het houden van de sabbat. Jes. 56: 6-7 ….ook voor de vreemdeling (wij dus)
Jes. 66: 22-23 leert dat de sabbat een eeuwige instelling is. Ook in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde is er nog steeds de sabbat.
Marc. 1: 21; 6: 2; Luc 4: 16; 13: 11-17 Jezus hield de sabbat. Jezus had een hekel aan het wetticisme dat op de sabbat was gekomen, over de invulling ervan. Hij schafte hem zeker niet af, maar maakte er weer een feestdag van. Een dag, na een week werken, voor herstel van de mens, zowel geestelijk als lichamelijk.
Luc. 13: 10-17 genezing van de verkromde vrouw.
Joh. 9: 1 e.v. genezing van de blinde man.
Joh. 5: 5 e.v. genezing van de verlamde man ( neem je matras op en wandel..)
Jezus schafte de wet ook niet af
Matt. 5: 17-19 …..er zal niet een jota of titel vergaan.
Matt. 5: 27-28 Jezus scherpt de wet zelfs nog aan
Schafte Paulus de wet dan af?
1 Kor. 7: 9 wel het houden van Gods geboden betekent iets.
Rom. 3: 31 Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet.
Rom. 7: 12 Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.
Paulus ageert tegen de ijdele gedachte dat door de werken der wet, enkel door het houden van alle geboden, je verlossing kan verkrijgen. Dit kan enkel door genade die wij verkrijgen door het geloof in Jezus Christus
Paulus hield de sabbat
Hand. 13: 14 en op de sabbat in de synagoge gegaan zijnde
En niet enkel maar om zo de Joden te kunnen ontmoeten, want de Statenvertaling en de King James version vertalen het goed in
Hand. 13: 42 en toen de Joden vertrokken waren verzochten de heidenen
hun (Paulus en Barnabas) tegen de eerstvolgende sabbat weder deze woorden te spreken.
En in vers 44 gebeurde dat dan ook op de sabbat.
Hand. 16: 13 En op de sabbatdag gingen wij de poort uit, de rivier langs, waar wij verwachtten, dat een gebedsplaats zou zijn
Maar…..
Hand. 20: 7-12 Op de eerste dag der week braken zij het brood. Was dit een avondmaal zoals nu in de kerken gevierd werd. Het was een gedenken van de dood van Jezus Christus, maar niet vastgebonden aan een dag. Want in Hand 2: 46 lezen we dat op alle dagen er brood werd gebroken. In dit verhaal was het ook de laatste dag, de laatste kans om Paulus te kunnen horen voordat hij verder trok.
1 Kor. 16: 2 Elke eerste dag der week iets wegleggen thuis, Vooraf, zodat het geld niet op is aan het eind van de week, dus geen kerkelijke collecte.
Zo zijn er nog meer teksten in het Nieuwe Testament die uitgelegd worden alsof de zondag nu de heilige rustdag is. Maar nergens in de bijbel staat expliciet dat nu de zondag gevierd moet worden. Het is een instelling van mensen. Niet in de laatste plaats ingesteld in die eerste eeuwen om onderscheid te maken tussen de kerk en de Joden. Men is toen de teksten zo gaan interpreteren dat zogenaamd bewezen kon worden dat de eerste apostelen de zondag vierden.
Daarnaast ligt er nog een andere reden ten grondslag onder waarom de zondagviering gekomen is. Dit wordt verder uitgewerkt in de uitleg van de boeken Daniël en Openbaring.
Wat is de betekenis van de “sabbatsrust” in Hebreeën 4.9?
Om een bepaalde tekst goed te kunnen begrijpen, moeten we altijd kijken in welk verband die staat. Wat probeert de schrijver duidelijk te maken en welke rol speelt de betreffende tekst daarbij?
In de eerste twee hoofstukken van de brief aan de Hebreeën bouwt de schrijver stap voor stap zijn argument op dat niemand belangrijker is dan Jezus - zelfs Mozes niet (3.3). Hij vergelijkt gelovigen met een huis dat God toebehoort. Mozes was slechts een dienaar in dat huis, maar Jezus, Gods Zoon, heeft het beheer over dat huis gekregen. “Wij vormen dat huis, als we tenminste trots en zonder schroom vasthouden aan datgene waarop we hopen” (3.6). We moeten God dus trouw blijven en in zijn wegen wandelen. Israël was destijds halsstarrig en zij volgden niet de weg die God hen had gewezen. Daarom had Hij gezworen “Nooit zullen ze in mijn rust binnengaan” (3.11,19). Die rust was uiteraard Kanaän, het beloofde land.
De redenering van de schrijver gaat dan als volgt verder. De verkondiging van het goede nieuws (het beloofde land - Gods rust - binnengaan) baatte het volk Israël niets omdat zij “niet geloofden” (4.2). Nu vergelijkt hij die situatie met die van de bekeerde Hebreeën: “Omdat wij echter geloven, gaan we de rust binnen waarvan Hij gezegd heeft….. ‘Nooit zullen ze mijn rust binnengaan’” (4.3).
Vervolgens legt de schrijver een verband tussen ‘de rust’ die Gods volk had kunnen binnengaan en ‘Gods sabbatsrust’ waarvan gesproken werd toen Hij zijn zevendaagse schepping had voltooid. Zijn punt hierbij is dat er al vanaf de schepping ‘een sabbatsrust’ bestaat die Gods kinderen (eenmaal) kunnen binnengaan.
“Het staat dus vast dat mensen er kunnen binnengaan, maar degenen aan wie vroeger het goede nieuws verkondigd is, zijn er vanwege hun ongehoorzaamheid niet binnengegaan. Daarom legt God opnieuw een dag vast, een ‘vandaag’, waarover Hij, zoals eerder is opgemerkt, lange tijd later David heeft laten zeggen: ‘Horen jullie vandaag zijn stem, wees dan niet halsstarrig.’ Was de rust hun al door Jozua gegeven, dan zou God daarna niet meer over een andere dag hebben gesproken. Er wacht het volk van God dus nog steeds een sabbatsrust” (4.6-9, cursivering toegevoegd).
Het moge duidelijk zijn dat de “sabbatsrust” waarover hier gesproken wordt, verwijst naar de rust die God nam aan het einde van de scheppingsweek. Die rust wordt hier in Hebreeën gebruikt als een type van de rust die Gods volk nog ‘tegoed heeft’ en mag binnengaan aan het einde van hun levensreis. Vanzelfsprekend is dit nu niet meer het aardse Kanaän maar het hemelse - Gods nieuwe schepping. Maar dan moeten zij niet halsstarrig of ongehoorzaam worden, zoals Israël destijds.
Dat we Hebreeën 4.9 op deze manier moeten opvatten, blijkt nog eens ten overvloede uit vers 10 en 11:
“Want wie Gods rust is binnengegaan, vindt rust na zijn werk zoals God na het zijne. Laten we dus alles op alles zetten om die rust binnen te gaan, opdat niemand dit voorbeeld van ongehoorzaamheid volgt en te gronde gaat.”
Kort samengevat: Het volk Israël kon Gods sabbatsrust (het beloofde land) niet binnengaan vanwege hun halsstarrigheid en ongeloof. De Hebreeën moeten er daarom nauwlettend op toezien dat ze niet dezelfde fout maken: “Want alleen als we tot het einde toe resoluut vasthouden aan ons aanvankelijk vertrouwen, blijven we deelgenoten van Christus” (3.14). En dát is de absolute voorwaarde om “de sabbatsrust” die het volk van God nog steeds wacht, te mogen binnengaan (4.9).
Is deze tekst een argument voor het wel of niet houden van de sabbat?
Let op: die rust “wacht” ons nog steeds, en is dus nog toekomst. Dit impliceert dat deze tekst geen directe betrekking heeft op de wekelijkse sabbat (dat is tegenwoordige tijd). Zoals in het artikeltje is betoogd, die rust verwijst naar de rust die Gods volk te wachten staat in het beloofde land. Voor Gods volk destijds was dat het aardse Kanaän – voor Gods volk in de nieuwtestamentische tijd is dat ‘het hemelse Kanaän’ ofwel Gods nieuwe schepping.
Toch is Hebr. 4.9 wel indirect van belang voor sabbatvierende christenen wanneer zij steun zoeken voor het vieren van de wekelijkse sabbat. Want als de sabbat in die tijd (toen de brief aan de Hebreeën werd geschreven) al vervangen geweest zou zijn door de zondag, wat voor zin zou het dan hebben om een ‘afgedane zaak’ (de sabbat) als argument aan te voeren om trouw en standvastig te blijven in het geloof? Dat zou op zijn minst erg merkwaardig zijn geweest.
Je kunt Hebr.4.9 niet gebruiken als direct bewijs ter ondersteuning voor het vieren van de wekelijkse sabbat. Daar zijn echter ruim voldoende andere bewijzen voor.