Appendib B

APPENDIX B: symboliek en werkelijkheid in de Openbaring


 In de Openbaring treffen we drie categorieën symboliek veelvuldig aan, namelijk huwelijkssymboliek, oorlogssymboliek en tempelsymboliek.

     

Huwelijkssymboliek

Wij nemen hier als voorbeeld de “bruid van het Lam”. Zij is het nageslacht van de vrouw dat de geboden van God bewaart (19.7-8). Maar daarnaast wordt óók de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, genoemd als “de bruid, de vrouw van het Lam” (21.9-22.5).


Het zal voor geen enkele lezer van de Openbaring moeilijk zijn om ‘symboliek’ en ‘werkelijkheid’ in deze categorie uit elkaar te houden. Niemand, die serieus genomen wil worden, zal immers de relatie tussen het Lam (Jezus) en de gelovigen, of die tussen het Lam en het nieuwe Jeruzalem, als een letterlijk huwelijk willen interpreteren. Het onderscheid tussen ‘visionaire realiteit’ en ‘historische realiteit’ is hier overduidelijk. De werkelijkheid achter de symboliek is dat de relatie tussen het Lam en de gelovigen even hecht is als de relatie tussen man en vrouw in een (goed) huwelijk. Het onderscheid tussen ‘symboliek’ en ‘werkelijkheid’ mag dan hier geen wezenlijke problemen opleveren, bij de volgende categorie is dat niet altijd het geval.


Oorlogssymboliek

In hoofdstuk vier en vijf van de Openbaring is Johannes er getuige van dat God en het Lam worden aanbeden door elk schepsel: “in de hemel, op aarde, onder de aarde en in de zee.” We horen hen zeggen: “Aan hem die op de troon zit en aan het Lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid” (5.13). Met name in hoofdstuk 12 en 13 zien we echter dat daarop één uitzondering bestaat. Satan is in opstand gekomen tegen God en wil zelf aanbeden worden. De verdere ontwikkelingen op dit gebied vinden we beschreven in termen van oorlogvoering. Bij zijn strijd tegen God in de hemel, moet Satan (de draak) het onderspit delven. Daarna wordt het conflict op aarde uitgevochten met de mens als object. In de visioenen van de zegels zien we ruiters met zwaard en boog, gevolgd door de dood en het dodenrijk. De slachtoffers zijn de zielen “aan de voet van het altaar” (6.9). In hoofdstuk 13 wordt er oorlog gevoerd tegen “de heiligen” die door het beest uit de zee worden overwonnen. De strijd tussen goed en kwaad, tussen God en Satan, bereikt zijn hoogtepunt wanneer “alle koningen op aarde” (16.14) zich verzamelen om oorlog te voeren “tegen het Lam” (17.14). Bij deze beslissende slag te Harmagedon verschijnt het Lam als “de hoogste Heer en Koning”, gezeten op een wit paard. In zijn spoor volgt de “hemelse legermacht, gekleed in zuiver, wit linnen” eveneens op witte paarden (19.11-16). Daar wordt het lot beslist van de mensen en machten die God vijandig waren en de gelovigen hebben vervolgd. Hun einde is “in de vuurpoel met brandende zwavel”. Daarna is er vrede op aarde en hoeven de poorten van het nieuwe Jeruzalem nooit meer gesloten te worden (21.25).


Dat we deze oorlogvoering, inclusief Harmágedon, niet letterlijk kunnen opvatten, is eigenlijk wel vanzelfsprekend. Het is om te beginnen al irreëel te denken dat God op menselijke wijze strijd moet voeren om een einde te maken aan een gezagscrisis in het universum. Als het Lam daarbij aan het einde der tijden zijn vijanden letterlijk met boog en zwaard zou moeten overwinnen, dan is dat in deze tijd van moderne oorlogvoering niet alleen onmogelijk, maar bovendien een ridicule voorstelling van zaken. Het moet dus boven alle twijfel verheven zijn dat we hier te maken hebben met symbolisch gebruik van oorlogsbeelden en oorlogsterminologie. Dat brengt ons terug bij het onderscheid tussen ‘visionaire realiteit’ en ‘historische realiteit’. De ‘historische realiteit’ bestaat hierin, dat God een einde zal maken aan de opstand tegen zijn gezag en aan de vervolging van de gelovigen die hem onder alle omstandigheden trouw zijn gebleven. Om het begin, het verloop en het einde van dit conflict begrijpelijk voor te stellen, heeft God in de ‘visionaire realiteit’ blijkbaar gekozen voor oorlogssymboliek. Het is dus zaak altijd alert te blijven op het onderscheid tussen ‘symboliek’ en ‘werkelijkheid’ en daarin consequent te zijn. We kunnen niet bepaalde delen van deze strijd symbolisch opvatten en andere delen, bijvoorbeeld ‘Harmagedon’, letterlijk.


Tempelsymboliek: drie verschillende rollen

In de eerste plaats dient tempelsymboliek ertoe om de fysieke aanwezigheid van God aan te geven: ‘Waar God is, daar is zijn tempel.’ Een van de voorbeelden hiervan vinden we in hoofdstuk vier en vijf. Eerst krijgen we een beschrijving van God, gezeten op zijn hemelse troon, en de lof die hem wordt toegebracht. Dan komt met hoofdstuk vijf de tempelsymboliek in beeld. Johannes zag een lam staan dat eruit zag alsof het geslacht was. Dat blijkt “het Lam” te zijn. Het staat midden voor de troon. Verder wordt er reukwerk geofferd op het altaar voor de troon en dat gebeurt opnieuw in hoofdstuk acht. Daar lezen we dat de rook ervan opstijgt naar God (8.4). Dit zijn beelden van ‘een tempel’, die zich in dit geval in de hemel bevindt. Maar tegen het einde van de Openbaring bevindt de tempel zich op aarde. De reden daarvoor is dat God tegen die tijd de aarde tot zijn woonplaats heeft gemaakt. In 21.3 krijgt Johannes te horen: “Gods woonplaats is onder de mensen, hij zal bij hen wonen.”


Dat het hier niet om een letterlijke, fysieke tent of tempel gaat, blijkt uit de beschrijving van het nieuwe Jeruzalem in 21.22: “Maar een tempel zag ik niet in de stad, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel, met het Lam.” Dit bevestigt nog eens de regel die we hierboven hebben geformuleerd, dat ‘waar God is, daar is zijn tempel’. In de hier aangehaalde voorbeelden moet de tempel dus niet worden gezien als een concreet gebouw, maar als de aanwezigheid van God en het Lam. Wie God letterlijk op een troon wil zien zitten en hem letterlijk een tent als huisvesting toekent, maakt hem ál te menselijk. ‘Troon’ en ‘tent’ zijn symbolische hulpmiddelen waarmee God in deze visioenen zijn ‘status’ aanduidt en de ‘locatie’ van zijn aanwezigheid kenbaar maakt.


De tweede rol van tempelsymboliek is ‘representatie’ van de gelovigen. Zij die God dienen, worden gesymboliseerd door beelden of voorwerpen uit de tempel. Het meest directe voorbeeld daarvan is wel de zeven kandelaren, die de zeven gemeenschappen van gelovigen voorstellen (1.20). Een tweede, meer indirect, voorbeeld is “de heilige stad, Jeruzalem”. Hierbij spelen verschillende elementen een rol. Ten eerste is “de heilige stad” zelf één grote tempel. Ten tweede is de heilige stad óók “de bruid, de vrouw van het Lam” (21.9,10) . Ten derde is die bruid weer een symbool van de gelovigen (19.7-8).


De gelovigen worden dus in directe zin gesymboliseerd door “de bruid” en indirect door “de heilige stad”. Dus niet alleen voorwerpen uit de tempel (kandelaren) worden gebruikt als symbool voor de gelovigen, maar ook de tempel als geheel stelt de gemeenschap van gelovigen voor.


De derde rol die voor tempelsymboliek is weggelegd, heeft te maken met ‘communicatie’ vanuit de hemel met de gelovigen hier op aarde en omgekeerd. We zien dit al bij het eerste visioen. Daar verschijnt de Mensenzoon als een priester die zorg draagt voor zeven kandelaren. Deze kandelaren symboliseren de zeven gemeenten. De communicatie van de Mensenzoon met deze gemeenten krijgt gestalte in de boodschap die hij via Johannes tot hen richt. Een tweede voorbeeld van ‘communicatie’ vinden we bij de derde plaag. Daar horen we het altaar zeggen: “Ja, Heer, onze God, Almachtige, uw oordelen zijn betrouwbaar en rechtvaardig” (16.7). Een derde geval is dat van de gelovigen die vervolgd en gedood zijn om hun trouw aan God. Zij roepen vanaf de voet van het altaar tot God om recht. Nog een voorbeeld zien we bij het begin van het oordeel. Tot het moment dat de bazuinen mogen worden geblazen en de oordelen de mensen zullen treffen, stijgt er reukwerk op voor Gods aangezicht. Dat reukwerk stelt de gebeden voor die de heiligen tot God opzenden (5.8; 8.4). Kandelaren, altaar en reukwerk, ze vervullen elk een bepaalde rol in de ‘communicatie’ over en weer, tussen God en mensen.


Het is dan ook boven alle twijfel verheven dat in deze voorbeelden de tempel en alles wat ermee samenhangt, symbolisch bedoeld zijn. In twee gevallen wordt dit in het betreffende visioen zelfs heel specifiek aangegeven (de zeven kandelaren en het reukwerk).

     

Hopelijk zal iedere kritische lezer van de Openbaring er na deze voorbeelden van overtuigd zijn, dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen ‘symboliek’ en ‘werkelijkheid’, ongeacht of het nu huwelijkssymboliek, oorlogssymboliek, tempelsymboliek of andersoortige symboliek betreft.


EINDE EERSTE DEEL


Share by: